Les 3 Nieren

Klinische Chemie
Les 3: Nieren
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Klinische Chemie
Les 3: Nieren

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • Functies van de nieren
  • Bouw en werking van de nieren
  • Indeling nierfalen
    

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Na deze les:
  • kun je vier functies van de nieren benoemen
  • weet je wat nefronen zijn
  • weet je waaruit een nefron is opgebouwd
  • kan je uitleggen wat er gebeurt in de glomerulus (filmpje)
  • kan je uitleggen  wat er gebeurt in de proximale tubulus (filmpje)
  • kan je uitleggen wat er gebeurt in de Lis van Henle (filmpje)
  • kan je uitleggen wat er gebeurt in de distale tubulus (filmpje)
  • kan je benoemen welke hormonen door de nieren aan- afgemaakt worden
  • kan je een aantal oorzaken van nierfalen benoemen
  • kan je uitleggen wat bedoelt wordt met pre- post- en renale nierziekten
  • kan je uitleggen waarom nierpatiënten vaak last krijgen van botontkalking
 

Slide 3 - Tekstslide

Bouw en functie van de nier 
Functies:

- Water/zoutbalans  (voor bloeddruk, water, natrium en  kalium)
- Uitscheiding afvalstoffen (kreatinine, ureum, urinezuur)
- pH-regulatie (samen met de longen, HCO3-)
- Hormoon aanmaak (EPO, renine, vitamine D)

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Bouw van de nier

Slide 6 - Tekstslide

Wat is geen functie van de nieren?
A
Aanmaak hormonen
B
pH-regulatie
C
Uitscheiding afvalstoffen
D
Verwijdering van glomerulus

Slide 7 - Quizvraag

Filtratie van bloed 
Onder invloed van de 
bloeddruk: 
- bloedplasma wordt door het
  filter geperst --> filtraat
(grote eiwitten/moleculen en 
bloedcellen gaan hier niet doorheen)

- In de tubulus 
  --> nuttige stoffen terug-
        geresobeerd. 
Overblijfsel = urine en wordt afgevoerd via ureter (urineleider) naar de blaas. 

Slide 8 - Tekstslide

Veranderingen in urine door beschadiging van glomerulus
Bij beschadiging van de glomerulus is er naast een verminderde filterwerking ook sprake van verhoogde doorlaatbaarheid voor eiwitten en/of erytrocyten.

Kenmerkend voor glomerulusschade is dan ook aanwezigheid van eiwit en/of erytrocyten in de urine. 


Slide 9 - Tekstslide

Filtreren en terugresorptie eiwitten 
Eiwitten worden doorgaans niet
doorgelaten in de glomerulus door:
- de grootte (>40 kDa)
- elektrostatische lading 
   (eiwit en poriën hebben - lading)

Kleinere eiwitten kunnen wel makkelijker door 
de poriën in het filtraat terecht komen, maar worden weer geresorbeerd in de tubulus.
Met name de zeer kleine eiwitten. (<20 kDa)
Totaal eiwit in urine is < 150 mg/dag.

Slide 10 - Tekstslide

Waar in de nieren vindt het proces van bloedfiltratie en reabsorptie plaats?

Slide 11 - Open vraag

Waar in de nefronen wordt het bloed gefilterd?
A
Distale tubulus
B
Glomerulus
C
Proximale tubulus

Slide 12 - Quizvraag

Waardoor kan het bloed gefilterd worden door de glomerulus?

Slide 13 - Open vraag

Waar of niet waar?

Natrium wordt teruggeresorbeerd d.m.v. passief transport.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 14 - Quizvraag

Nieren als endocrien orgaan 
Endocrien orgaan (uitscheiden van hormonen en specifieke vitamines)

  • Renine --> regelt bloeddruk in glomerulus en daarmee de filtratiesnelheid 
  • EPO (erytropoëtine) --> aanmaak in de nieren afhankelijk van zuurstof in bloed --> stimuleert het beenmerg tot aanmaak van ery's
  • 1,25 (OH)2- Vitamine D (biologisch actieve vorm van vit. D) --> regelt calcium- en fosfaat spiegel in het bloed. 

Gevolgen nierfalen t.a.v. hormonen: Verminderde of slechte filtratiecapaciteit, osteoporose (botontkalking) en anemie 

Slide 15 - Tekstslide

Indeling nierfalen
Nierfalen kan op basis van laboratoriumonderzoek ingedeeld worden in een aantal veel voorkomende syndromen:
  • erytrocyturie (bloed in de urine)
  • proteïnurie (eiwit in de urine)
  • gestoorde nierfunctie (verhoogd plasma-kreatinine in bloed, GFR daalt)

Als maat voor de nierfunctie wordt de term GFR (glomerulaire filtratie rate) gebruikt. 
Deze wordt berekend uit de concentratie serum-kreatinine.

Bij constatering van nierfalen, moet de oorzaak hiervan verder onderzocht worden. 

Slide 16 - Tekstslide

Acute nierziekten
  • Pre-renale oorzaken: slechte doorbloeding
  • Renale oorzaken: trombose, vasculitus, acute glomerulonefritis, 
  •                                   acute tubulaire necrose (beschadiging)
  • Post-renale oorzaken: nierstenen, maligniteit, prostaathypertrofie

Kenmerken:
  • Anurie of oligurie (geen of heel weinig vorming van urine)
  • Snelle stijging van kreatinine en ureum 
  • Afwijking in hoeveelheid kalium 

Prognose: goed te genezen mits op tijd

Slide 17 - Tekstslide

Chronische nierziekten
Kenmerken:
In eerste instantie geen ziekteverschijnselen, daarna:
  -  stijging kreatinine in bloed
  -  stijging kalium in plasma (vanaf 80-90% afname in functie)
  -  stijging H+ in bloed  --> daling HCO3- 
  -  stijging urinezuur

Compensatie door tubulaire reabsorptie door stijging van PTH (bijschildklierhormoon) en aldosteron (bijnierhormoon).
Wegvangen van H+ door het bot geeft botzwakte. 

Prognose:
- Proces kan lang duren, maar leidt uiteindelijk tot de dood als er geen transplantatie plaatsvindt.

Slide 18 - Tekstslide

Wat wordt bedoeld met een pre-renale oorzaak van nierproblemen?

Slide 19 - Open vraag

Waardoor kan iemand met een slechte nierfunctie last krijgen van botontkalking?

Slide 20 - Open vraag

Noem 1 ding wat je nog niet begrijpt uit deze les?
(begrijp je alles, antwoord dan met een X)

Slide 21 - Woordweb