HFSTK2: Mi barrio

Quiz: El lugar donde vivo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorSpaansMBOStudiejaar 3,4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 10 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Quiz: El lugar donde vivo

Open met een luchtige toon: dit is een quiz over woordenschat en grammatica rond woonplaats, gebouwen in de stad, hay/estar, bijvoeglijke naamwoorden, -er/-ir-werkwoorden en vertalen. De antwoorden staan bewust niet op de dia's.

Lesdoel

Ik kan woorden en zinnen over mijn woonplaats in het Spaans correct herkennen en invullen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke Spaanse woorden over jouw woonplaats ken je al?

Laat leerlingen losse woorden of korte woordgroepen invoeren, bijvoorbeeld plaatsen in de stad of bekende werkwoorden zoals hay/estar.

Woordenschat: Nederlands

Schrijf de Nederlandse vertaling op.


  • el barrio

  • la plaza

  • el puerto

  • la estación

  • el mercado

  • el parque

Deze dia is gebaseerd op de oefening woordenschat Spaans naar Nederlands.

Woordenschat: Spaans

Schrijf de Spaanse vertaling op.


  • de kathedraal

  • de winkel

  • het kasteel

  • de luchthaven

  • het zwembad

Laat leerlingen letten op lidwoorden: el/la.

Hay of está / están?

Kies telkens de juiste vorm.


  1. En el pueblo _ una iglesia.

  2. El museo _ en el centro.

  3. Las tiendas _ en la plaza.

  4. En el barrio _ muchos restaurantes.

  5. La estación _ cerca del puerto.

  6. En el pueblo no _ aeropuerto.

Benadruk het verschil: hay voor 'er is/zijn', está/están voor locatie van iets bekends.

Wat betekent la estación?

A

de markt

B

het station

C

de haven

D

het park

Controleert woordenschat Spaans naar Nederlands uit dia 2.

Vul de juiste woorden in

En el pueblo hay una iglesia. El museo está en el centro y las tiendas están en la plaza.

hay
está
están
es
soy
son

Alleen één plek past per vorm: hay voor bestaan, está/están voor locatie.

Bijvoeglijke naamwoorden

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm.


  • el pueblo (pequeño)

  • las calles (bonito)

  • los museos (interesante)

Eerste deel van de oefening, kort gehouden zodat het leesbaar blijft op een dia met afbeelding.

Bijvoeglijke naamwoorden

Ga verder met de juiste vorm.


  • la ciudad (antiguo)

  • los hoteles (caro)

  • las plazas (grande)

Herinner aan overeenkomst in geslacht en getal. 'Interesante' en 'grande' veranderen niet in mannelijk/vrouwelijk, wel in meervoud waar nodig.

Wat is de juiste vorm van bonito bij las calles?

A

bonitos

B

bonita

C

bonitas

D

bonito

Test overeenkomst in geslacht en getal.

Maak de vormen compleet

El pueblo es pequeño y la ciudad es antigua. Los hoteles son caros y las plazas son grandes.

pequeño
antigua
caros
grandes
pequeña
antiguo
caro
grande

Herhaalt de kernregel: bijvoeglijk naamwoord past zich aan aan zelfstandig naamwoord.

Estar: vul in

Vul de juiste vorm van estar in.


  1. Tú _ en el parque.

  2. El hotel _ en el centro.

  3. Nosotros _ en la plaza.

  4. Vosotros _ en el museo.

  5. Las tiendas _ cerca del mercado.

Laat leerlingen de persoonsvorm koppelen aan het onderwerp: tú, él/ella, nosotros, vosotros, ellas.

Werkwoorden op -er en -ir

Vul de juiste vorm in.


  • Tú (beber) _ agua.

  • Nosotros (vivir) _ en España.

  • Ella (comer) _ paella.

Eerste reeks vervoegingen; focus op stam + uitgang.

Werkwoorden op -er en -ir

Vul de juiste vorm in.


  • Vosotros (abrir) _ la puerta.

  • Ellos (aprender) _ español.

  • Yo (escribir) _ una carta.

Tweede reeks vervoegingen; wijs eventueel op de uitgang -ís bij vosotros van abrir.

Welke vorm past bij: Nosotros ___ en la plaza.

A

están

B

estoy

C

estamos

D

estás

Controleert vervoeging van estar.

Vul de werkwoordsvormen in

Tú bebes agua. Ella come paella. Vosotros abrís la puerta y yo escribo una carta.

bebes
come
abrís
escribo
bebe
comemos
abren
escribes

Mix van -er en -ir werkwoorden uit dia 8 en 9.

Vertaal naar het Spaans

Vertaal de zinnen.


  1. Er is een museum in het centrum.

  2. De winkels bevinden zich op het plein.

  3. Málaga is een mooie stad.

  4. Wij drinken water.

  5. Waar kom jij vandaan?

Hier komen meerdere onderdelen samen: hay, estar, es, woordenschat en een vraagzin.

Mijn woonplaats

Maak de zinnen af.


  • Soy de ...

  • Vivo en ...

  • Es una ciudad / un pueblo ...

Eigen antwoorden zijn mogelijk; het gaat om correcte opbouw en passend woordgebruik.

Mijn woonplaats

Maak de zinnen af.


  • En ... hay ...

  • En ... no hay ...

Laat leerlingen letten op betekenis, lidwoord, werkwoordsvorm en spelling.

Wat is de beste Spaanse vertaling van: Er is een museum in het centrum.

A

Está un museo en el centro.

B

Hay un museo en el centro.

C

Es un museo en el centro.

D

Son un museo en el centro.

Toetst of leerlingen hay correct gebruiken bij bestaan.

Schrijf 1 correcte Spaanse zin over jouw woonplaats.

Goede antwoorden bevatten een korte correcte zin over herkomst of woonplaats, bijvoorbeeld met Soy de..., Vivo en..., En ... hay..., En ... no hay.... Let op woordvolgorde, hay en passende woordenschat.