Leçon 11 - Grammaire C

Programme du cours
  • Parler - De la semaine de test
  • Grammaire C - exercices 37 à 39 pages 36 et 37
Les objectifs d'apprentissage
Kan de vergrotende trap en de overstreffende trap gebruiken.
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Programme du cours
  • Parler - De la semaine de test
  • Grammaire C - exercices 37 à 39 pages 36 et 37
Les objectifs d'apprentissage
Kan de vergrotende trap en de overstreffende trap gebruiken.

Slide 1 - Tekstslide

Het bijvoeglijk naamwoord zegt wat over ...
A
een werkwoord
B
een zelfstandig naamwoord
C
een bijwoord
D
een ander bijvoeglijk naamwoord

Slide 2 - Quizvraag

Het bijwoord zegt wat over ...
A
een werkwoord
B
een zelfstandig naamwoord
C
een bijwoord
D
een ander bijvoeglijk naamwoord

Slide 3 - Quizvraag

De stellende trap (le positif)
Het huis is groot. - La maison est grande.
De jongen is mooi.- Le garçon est beau.


Slide 4 - Tekstslide

Les comparaisons (vergelijking of vegrotende trap)
In het Frans gebruik je de volgende woorden om te vergelijken:
  • moins... que    (minder...dan) 
  • plus...... que     (meer....dan) 
  • aussi.... que     (even....als)  



Slide 5 - Tekstslide

Les comparaisons (vergelijking of vegrotende trap)
moins/plus/aussi staan voor het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord
que of qu' staat na het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord

Attention: Het bijvoeglijk naamwoord verandert van vorm als het verwijst naar  een vrouwelijk woord of een woord dat in het meervoud staat. 

met een bijvoeglijk naamwoord
Mes parents voudraient une maison plus grande
Mijn ouders willen graag een groter huis.
met een bijwoord
Elle se fâche moins vite que moi
Zij wordt minder snel boos dan ik.

Slide 6 - Tekstslide

Vertaal: Het meisje is klein.

Slide 7 - Open vraag

Vertaal: Het meisje is kleiner.

Slide 8 - Open vraag

De overtreffende trap (le superlatif)
Observe: 
Laura est la fille la plus intelligente de la classe.
Paul est le garçon le plus intelligent de la classe
Laura et Sarah sont les filles les  plus intelligentes de la classe.
Paul et Mohammed sont les garçons les plus intelligents de la classe.

Slide 9 - Tekstslide

Le superlatif (de overtreffende trap)
De overtreffende trap maak je met:
  • le moins..., la moins..., les moins...    (het minst) + bijvoeglijk nmw
  • le plus..., la plus..., les plus...   (het meest)  + bijvoeglijk nmw
OF
  • Le plus + bijwoord
  • le moins + bijwoord



Met bijvoeglijk nmw
Quels sont les quartiers les moins calmes?
Wat zijn de minst rustige wijken
Met bijwoord
Mes frères se disputes le plus souvent
Mijn broers maken het vaakste ruzie

Slide 10 - Tekstslide

Vertaal: Het meisje is het kleinst.

Slide 11 - Open vraag


moins
moins

Slide 12 - Tekstslide

Attention: 
De plaats van de overtreffende trap is afhankelijk van de plaats van het betreffende bijvoeglijk nmw. Als het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord staat, dan wordt het lidwoord herhaald.
bijvoeglijk naamwoord ervoor
Voilà le plus grand immeuble de la rue.
Dat is het grootste flatgebouw van de straat.
bijvoeglijk nmw erachter
Ce sont les élèves les moins responsables de la classe.
Dat zijn de minst verantwoordelijke leerlingen

Slide 13 - Tekstslide

Uitzonderingen:
goed                         beter                        het best
bon(ne)(s)       meilleur(e)(s)      le/la/les meilleur(e)(s)


ATTENTION! :  bijvoeglijk naamwoord  'meilleur' -> bijwoord 'mieux'
Cet acteur joue mieux que l'autre (vergrotende trap)
Cette actrice joue le mieux. (overtreffende trap)

      


    

Slide 14 - Tekstslide

Manuel a (de kleinste) ___________ pieds
A
le plus petit
B
les plus petits
C
plus petit
D
plus petits

Slide 15 - Quizvraag

Mon père est (net zo goed als) _________ que ma mère en mathématiques
A
aussi bon que
B
aussi meilleurs que
C
aussi bonne que

Slide 16 - Quizvraag