Je leert hoe je nieren de hoeveelheid stoffen en water in je bloed regelen.
Je kan uitleggen wat de functies van de niereenheden zijn.
Je kan werken met BINAS 85 A t/m C
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5
In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
13.4 Nieren
(deel 1en 2)
Leerdoelen:
Je leert hoe je nieren de hoeveelheid stoffen en water in je bloed regelen.
Je kan uitleggen wat de functies van de niereenheden zijn.
Je kan werken met BINAS 85 A t/m C
Slide 1 - Tekstslide
Slide 2 - Tekstslide
Functies van de nieren:
Uitscheiding van zouten en afvalstoffen (ureum).
Regulatie van de osmotische waarde van het bloed.
Regulatie van de waterhuishouding van het interne milieu (uitscheiding van water of juist reabsorptie van water)
Slide 3 - Tekstslide
Slide 4 - Video
Via welke drie organen raakt het lichaam water kwijt?
A
Hart, longen, lever
B
Longen, huid, nieren
C
Nieren, hart, longen
D
Lever, nieren, longen.
Slide 5 - Quizvraag
De schors bevat 1 miljoen niereenheden (nefronen), die het bloed filteren.
In het merg zitten de verzamelbuisjes, waarmee de urine naar het nierbekken wordt vervoerd.
Urine wordt verzameld in het nierbekken en gaat via de urineleider naar de urineblaas.
Slide 6 - Tekstslide
Welk cijfer geeft de urineleider aan?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 7 - Quizvraag
BINAS 85A
Alle nefronen samen filteren per dag 1700L bloed
( 300x 5-6L bloed)
NEFRON of NIERÉÉNHEID
Slide 8 - Tekstslide
Functies nefron (nieréénheid):
maken van voorurine (= ultrafiltratie)
selectief voedingsstoffen en zouten teruggeven aan het bloed via actief transport
reabsorptie (terugresorptie) van water (het teruggeven van water aan het bloed)
Slide 9 - Tekstslide
Vorming voorurine
Ultrafiltratie = bloeddruk perst 20% van bloedplasma vanuit glomerulus, het kapsel van Bowman in.
Bloedplasma in kapsel van Bowman = voorurine
Grote eiwitmoleculen en bloedcellen kunnen niet door het "vergiet" van glomerulus en blijven
dus achter.
Voorurine bevat: water, zouten, glucose, ureum, aminozuren en (kleine) hormonen.
BINAS 85B
180L
voorurine !!
Slide 10 - Tekstslide
Als je een hoge bloeddruk hebt, krijg je dan meer of minder voorurine?
A
Meer
B
Minder
Slide 11 - Quizvraag
Het afvoerend slagadertje van de glomerulus heeft een kleinere diameter. Waarom is dit functioneel?
A
Dit verhoogt de bloeddruk in de glomerulus en daardoor een grotere ultrafiltratie
B
Dit verlaagt de bloeddruk in de glomerulus en daardoor een grotere ultrafiltratie
C
Dit verhoogt de bloeddruk in de glomerulus en daardoor een kleinere ultrafiltratie
D
Dit verlaagt de bloeddruk in de glomerulus en daardoor een kleinere ultrafiltratie
Slide 12 - Quizvraag
Welke van de vloeistoffen (P, Q, R en S) kunnen voorurine van de mens zijn (afhankelijk van het voedsel wat je gegeten hebt)?
P
Q
R
S
witte bloedcellen
+
-
-
-
glucose
+
+
-
-
hormonen
+
+
+
-
ureum
+
+
+
+
A
P-Q-R-S
B
Q-R-S
C
R-S
D
alleen S
Slide 13 - Quizvraag
Nu doen !
Maak opdracht 1 t/m 3 en 5 t/m 9
Slide 14 - Tekstslide
13.4 Nieren
(deel 1en deel 2)
Leerdoelen:
Je leert hoe je nieren de hoeveelheid stoffen en water in je bloed regelen.
Je kan uitleggen wat de functies van de niereenheden zijn.
Je kan werken met BINAS 85 A t/m C
Slide 15 - Tekstslide
Functies niereenheid (nefron):
maken van voorurine (= ultrafiltratie)
selectief voedingsstoffen en zouten teruggeven aan het bloed via actief transport
reabsorptie (terugresorptie) van water (het teruggeven van water aan het bloed)
Slide 16 - Tekstslide
Slide 17 - Tekstslide
100% terugresorptie
glucose
1e gekronkelde deel nierbuisje
lis van Henle
2e gekronkelde deel nierbuisje
verzamelbuisje
180L
1,5L
Slide 18 - Tekstslide
BINAS 85C
Slide 19 - Tekstslide
Kapsel van Bowman
Eerste gekronkelde nierbuisje
Lis van Henle
Verzamel- buis
Ultrafiltratie
Water resorptie
Water resorptie
Resorptie van glucose
Slide 20 - Sleepvraag
Bij een nier zijn schors, merg en nierbekken te onderscheiden. In welk deel of in welke delen worden actief stoffen uit de voorurine gehaald? BINAS 85C
A
alleen in de schors
B
alleen in het merg
C
in de schors en het merg
D
in de schors, het merg en het nierbekken
Slide 21 - Quizvraag
BINAS 85C
Slide 22 - Tekstslide
Slide 23 - Tekstslide
Wat meten de osmoreceptoren in de hypothalamus?
A
De zoutconcentratie
B
De glucoseconcentratie
C
De concentratie van alle opgeloste stoffen samen
D
De eiwitconcentratie
Slide 24 - Quizvraag
Als je erg zoute drop gegeten hebt, is er dan meer of minder ADH afgifte door de hypofyse?
A
Meer ADH afgifte, want dat stimuleert de uitscheiding
van water
B
Meer ADH afgifte, want dat remt de uitscheiding van water
C
Minder ADH afgifte, want dat stimuleert de uitscheiding
van water
D
Minder ADH afgifte, want dat remt de uitscheiding van water