Les 004

Vandaag
Literaire termen 
Het diner
Hoe lees ik?
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Vandaag
Literaire termen 
Het diner
Hoe lees ik?

Slide 1 - Tekstslide

Vraag 1

Wat is focalisatie?


A
De plaats waar het verhaal zich afspeelt
B
De persoon door wiens ogen we gebeurtenissen waarnemen
C
Een tegenstelling in de tekst
D
Een terugkerend symbool

Slide 2 - Quizvraag

Uitleg
Focalisatie gaat over wie waarneemt. Je vraagt dus: door wiens ogen, gedachten of gevoelens krijgen we de gebeurtenissen te zien?

Slide 3 - Tekstslide

Welk effect kunnen korte zinnen hebben?

A
Ze vertragen altijd het verhaal
B
Ze geven veel achtergrondinformatie
C
Ze kunnen tempo en spanning verhogen
D
Ze maken een tekst automatisch grappig

Slide 4 - Quizvraag

Uitleg
Korte zinnen kunnen een tekst sneller en gejaagder laten klinken, bijvoorbeeld bij spanning of paniek.

Slide 5 - Tekstslide

Wat kan herhaling in een literaire tekst doen?

A
Een gedachte of gevoel benadrukken
B
De setting veranderen
C
Een nieuw personage introduceren
D
Het perspectief automatisch veranderen

Slide 6 - Quizvraag

Uitleg
Door een woord, zin, beeld of geluid te herhalen, kan de schrijver er extra nadruk op leggen.

Slide 7 - Tekstslide

Een personage zit alleen in een donker huis. We lezen steeds:

“Tik. Tik. Tik.”

Wat kan dit geluid vooral doen?
A
Humor creëren
B
Spanning en stilte benadrukken
C
De tijdsprong uitleggen
D
Het perspectief veranderen

Slide 8 - Quizvraag

Uitleg
Kleine geluiden vallen in een stille omgeving extra op en kunnen daardoor spanning creëren.

Slide 9 - Tekstslide

Een personage bewaart jarenlang het kapotte horloge van haar overleden vader.

Waar kan dit horloge voor staan?
A
Alleen voor de tijd
B
Voor herinnering en verlies
C
Voor focalisatie
D
Voor zinslengte

Slide 10 - Quizvraag

Uitleg
Een concreet voorwerp kan een diepere betekenis krijgen. Dat noemen we symboliek.

Slide 11 - Tekstslide

Een kamer wordt eerst omschreven als “warm en gezellig” en later als “donker en verstikkend”. Wat laat de woordkeuze vooral zien?
A
Een verandering van verleden naar tegenwoordige tijd
B
Een nieuwe verteller
C
Een verandering in de gevoelens van het personage
D
DEen andere spellingregel

Slide 12 - Quizvraag

Uitleg
Een concreet voorwerp kan een diepere betekenis krijgen. Dat noemen we symboliek.

Slide 13 - Tekstslide

Een eenzaam personage bevindt zich ’s avonds op een leeg en koud station. Welke functie kan de setting hebben?
A
De zinnen korter maken
B
Een nieuw personage aankondigen
C
Het verhaal automatisch in de ik-vorm zetten
D
De eenzaamheid versterken

Slide 14 - Quizvraag

Uitleg
De omgeving kan passen bij de gevoelens van een personage en zo de sfeer versterken.

Slide 15 - Tekstslide

Een personage zegt: 'Het gaat prima met me.' Maar ondertussen bijt hij op zijn nagels. Wat laten zijn handelingen zien?
A
Dat hij de verteller is
B
Dat hij waarschijnlijk gespannen is
C
Dat de setting verandert
D
Dat er sprake is van symboliek

Slide 16 - Quizvraag

Uitleg
De schrijver hoeft gevoelens niet letterlijk te noemen. Handelingen kunnen laten zien hoe een personage zich werkelijk voelt.

Slide 17 - Tekstslide

Tijdens een begrafenis schijnt buiten fel de zon en spelen kinderen lachend. Welk begrip past hierbij?
A
Focalisatie
B
Contrast
C
Herhaling
D
Symboliek

Slide 18 - Quizvraag

Uitleg
Het verdriet van de begrafenis staat tegenover de vrolijke buitenwereld. Dat contrast kan het verdriet juist sterker maken.

Slide 19 - Tekstslide

Welke vraag helpt het meest bij het analyseren van focalisatie?
A
Door wiens ogen beleven we deze situatie?
B
BWelke kleuren worden gebruikt?
C
Wanneer speelt het verhaal?
D
Welke woorden worden herhaald?

Slide 20 - Quizvraag

Ouders moeten hun kind altijd beschermen.
Als je kind iets ernstigs doet, moet je dat altijd melden.
Familie gaat soms boven eerlijkheid.

Slide 21 - Tekstslide

ik-verteller = onbetrouwbare verteller

“Mijn broer Serge vindt zichzelf geweldig. Zoals altijd praatte hij de hele avond vooral over zichzelf.”
Kan ik Paul vertrouwen?

Slide 22 - Tekstslide

A 4
 
De openingszin 

Slide 23 - Tekstslide

Openingzinnen
1. Al het geluid verdween om haar heen op het moment dat Dana door de voorruit keek.

2. Nick loopt heen en weer.

3. Roos kijkt ongeduldig naar Femke, die in  de aula bij de koffieautomaat met Jesse staat te praten.

Slide 24 - Tekstslide

Openingzinnen
4. 'Laat hem los!', schreeuwt een jongen die ik niet kan zien.

5. Halfeen 's nachts, we rijden langs het rimpelloze water van het Noordzeekanaal.

6. Beste leerlingen van H1A, hierbij sturen we jullie het programma van de schoolreis naar Canterbury.

Slide 25 - Tekstslide

Welk genre?
Bijvoorbeeld:   spannend
                               grappig
                               romantisch

Is het realistisch (echt) of niet?

Is het fictie of informatief?

Slide 26 - Tekstslide

Wat zijn je verwachtingen?
Schrijf je verwachtingen op

Als jullie verschillende verwachtingen hebben, bespreek dan de verschillen

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Video

Het Diner
  • Boek/Film/Herman Koch
  • Eerste indruk 
  • Structuur: aperitief/voorgerecht/ etc. Flashbacks
  • Personages en hun relaties

Slide 30 - Tekstslide

Het Diner
  • Citaten 
  • De centrale vraag: in hoeverre zijn ouders verantwoordelijk voor de daden van hun kinderen (en ben je bereid je kinderen te beschermen)

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Video

Noem drie woorden die bij je opkomen als je aan dit boek denkt

Slide 33 - Open vraag

Structuur: Hoe vond je de indeling? Makkelijk doorlezen? Rol Flashbacks?

Slide 34 - Open vraag

"Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar". (Blz. 20)
A
Waar
B
Niet waar

Slide 35 - Quizvraag

Houd je van lange diners met een gerant? "Bovendien was er die pink". (Blz. 27)
Ja
Nee

Slide 36 - Poll

Les 004

Slide 37 - Tekstslide