lesplan

3. Interbellum 1919-1939

Wil je met dit lesplan aan de slag? Klik op de knop hieronder om een eigen kopie te maken in 'Mijn Lessen'. Vervolgens kun je de lessen aanpassen naar jouw wensen.

De periode tussen de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog.

Inleiding

  • Na de Eerste Wereldoorlog wilden veel mensen maar één ding: Nooit meer zo’n vreselijke oorlog. Desondanks begon twintig jaar na het Verdrag van Versailles een nieuwe wereldoorlog, die zelfs nog meer doden en verwoesting zou opleveren dan de vorige. Hoe kon dit gebeuren? 
Je weet dat in Duitsland Adolf Hitler aan de macht kwam. Rusland en Italië kregen soortgelijke leiders. Deze mannen trokken alle macht naar zich toe.

Gewone mensen hadden weinig meer te zeggen. De leider had een enorme invloed op de bevolking. Reclame voor de leider en de ideeën waar hij voor stond, was overal te zien en te horen. Met mensen die kritiek gaven of daar zelfs maar van verdacht werden, liep het vaak slecht af.
Bron 1: Italiaanse poster uit 1933 met Benito Mussolini op de achtergrond.

Opdrachten inleiding

1. Dit hoofdstuk gaat voornamelijk over drie landen: Duitsland, Italië en Rusland (Sovjet-Unie). De Duitse leider heette Hitler. Weten jullie nog wie de leiders waren van de andere twee landen?

 
2. Het woord ‘interbellum’ is afgeleid van het Latijn. Het betekent ‘tussen oorlogen’. Verklaar waarom deze periode zo wordt genoemd.

3.1 Leven in de Sovjet-Unie 

In Rusland was de macht in handen van één man: De tsaar. Na een volksopstand in 1917 werden de communisten de baas. Zij gaven Rusland een andere naam: De Sovjet-Unie. 

- Hoe was het leven in de Sovjet-Unie na de Eerste Wereldoorlog? 

Weg met de Tsaar! 

De Russische tsaar Nicolaas II leefde in enorme welvaart, terwijl het volk straatarm was. Na een volksopstand in 1905 had de tsaar een deel van zijn macht afgestaan, maar veel stelde dat niet voor. De ellende van de Eerste Wereldoorlog was voor de Russen de druppel die de emmer deed overlopen. Het volk kwam in 1917 opnieuw in opstand. Tijdens deze Russische revolutie werd de tsaar gedwongen afstand te doen van de troon.
De nieuwe machthebbers, de communisten, waren aanhangers van de theorie van Karl Marx. Marx vond dat iedereen evenveel macht moest hebben. Ook moest het afgelopen zijn met privébezit: alle bezit was van iedereen. Hierdoor zou er volgens de communisten niet langer sprake zijn van ‘rijk’ en ‘arm’.

Lenin

In 1887 werd Aleksandr Oeljanov terechtgesteld. Hij werd ervan verdacht dat hij had meegedaan aan een moordaanslag op de tsaar. Oeljanovs broer Vladimir werd vermoedelijk hierdoor een nog grotere tegenstander van de tsaar dan hij al was. 

Hij werd communist en nam een schuilnaam aan: Lenin. Hij werd opgepakt en verbannen, eerst naar Siberië, later naar het buitenland. Lenin werd de leider van een groep communisten. Tijdens de Russische revolutie kwam hij terug naar Rusland en werd hij de eerste leider van de Sovjet-Unie. In 1924 stierf hij. 
Bron 2: Lenin.

Geheime politie

Lenin gaf Rusland een nieuwe naam. Het land zou voortaan Sovjet-Unie heten. Hij nam maatregelen om de vijanden van het communisme op te pakken. Hiertoe stelde hij een geheime politie in. Wanneer iemand iets negatiefs zei over het communisme, of iets positiefs over de tsaar, werd hij opgepakt en gemarteld. Hierna volgde straf: De doodstraf of verbanning naar de Goelag, concentratiekampen die vooral in het ijskoude Siberië lagen. 

Het volk leefde in angst. Men durfde niet vrijuit te spreken, uit angst dat een lid van de geheime politie het zou horen. De Sovjet-Unie werd zo al snel een totalitaire samenleving: Een samenleving waarin de overheid alle macht in handen heeft. 
Bron 3: Gevangenen in een Goelagkamp. 

Stalin

Josef Dzjoegasjvili groeide op in een arm gezin. Zijn vader was een alcoholist die hem mishandelde en vernederde. Josef ging naar een priesterschool, maar al snel besloot hij dat hij zich wilde inzetten voor het communisme en sloot hij zich aan bij de groep van Lenin.
Hij noemde zichzelf Stalin, man van staal. Hij werd een paar keer opgepakt en verbannen, maar toen Lenin aan de macht kwam, werd hij een van diens naaste helpers. In 1928 werd Stalin de leider van zijn communistische partij. Dat bleef hij tot zijn dood in 1953.

Bron 4: Stalin.

Angst

Stalin had een paranoïde karakter, hij zag overal vijanden. Als de geheime politie te weinig ‘vijanden’ oppakakte, werd Stalin achterdochtig en stelde dat de geheime politie zélf tegen hem was. Door dit systeem werd het geweld van de geheime politie willekeurig. Iedereen kon slachtoffer worden, schuldig of niet. Er ontstond een vreselijke terreur, miljoenen onschuldige mensen werden opgepakt, gemarteld en vermoord of verbannen.

Gewone mensen leidden vaak een dubbelleven: zij moesten doen alsof ze Stalin en het communisme steunden, om zo te voorkomen dat ze zelf slachtoffer werden. Tegelijkertijd dachten veel mensen: het kan toch niet dat al die mensen die worden opgepakt, onschuldig zijn? Waarschijnlijk zijn zij wel ergens schuldig aan, maar heb ik dat nooit gezien. Om die gedachte te versterken, organiseerde Stalin showprocessen: rechtszaken waarin mensen zichzelf moesten beschuldigen van de meeste vreselijke misdaden.

Planeconomie

Onder Stalin werd in de Sovjet-Unie een planeconomie ingevoerd. Dit houdt in dat niet langer fabrikanten mogen beslissen wat ze produceren, maar dat de overheid dat doet. De reden was dat de overheid meer zicht zou hebben op wat het land nodig heeft. Iedere fabriek en ieder bedrijf kreeg te horen wat en hoeveel er moest worden geproduceerd. De bedoeling hiervan was dat de Sovjet-Unie meer zou produceren dan de andere landen en hierdoor welvarender zou worden. Bedrijven die de vaak erg hoge productie doelen niet haalden, werden beschouwd als vijanden van het communisme. 

Opdrachten 3.1

1. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht Rusland tegen de triple alliantie. Hoe verliep de oorlog voor Rusland?

 
2. Het woord ‘revolutie’ betekent ‘grote verandering’. Welke grote verandering vond er plaats tijdens de Russische revolutie?

3. Het volk was al langer ontevreden over de tsaar. Waarom kwam het volk juist in 1917 in opstand?

4. Welke twee dingen wilden de communisten veranderen in Rusland?

5. Voor welke mensen is het communisme vooral aantrekkelijk? Kies twee antwoorden: Rijke mensen/arme mensen/machtige mensen/mensen zonder macht. Leg je antwoorden uit.

6. Was er in de Sovjet-Unie van Lenin vrijheid van meningsuiting? Leg je antwoord uit.

7. Maak een tijdbalk van Rusland/de Sovjet-Unie. Zet de volgende gebeurtenissen, erin met de jaartallen erbij.
- De tsaar regeert – Russische revolutie – Lenin sterft – Stalin aan de macht – Stalin sterft.

8. Wie bepaalt in een planeconomie wat bedrijven en fabrikanten produceren.

3.2 Crisis en ontevredenheid

Duitsland en Italië kregen in de jaren ’30 ook sterke leiders die alle macht naar zich toe trokken. Dit had veel te maken met de economische crisis die in 1929 ontstond. Ook de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog speelden een rol. 


- Waardoor hadden veel mensen in de jaren ’30 behoefte aan een sterke leider?

Problemen in Amerika

Na de Eerste Wereldoorlog ging het erg goed met de economie van de Verenigde Staten. De fabrieken draaiden op volle toeren. Ze maakten vooral luxeproducten, zoals auto’s. Bedrijven maakten enorme winsten. Miljoenen mensen wilden meedelen in die winsten en staken zich diep in de schulden om aandelen te kunnen kopen. Het optimisme van het begin van de eeuw was weer helemaal terug: iedereen zou rijk worden. De prijzen van aandelen bleven stijgen, omdat mensen dachten dat de economie zou blijven groeien.
In 1929 kregen sommige mensen door dat de prijs van aandelen te hoog was geworden. Zij verkochten hun aandelen. Andere mensen werden bang en verkochten ook snel hun aandelen. Doordat veel mensen tegelijk hun aandelen verkochten, daalden de koersen in één keer heel snel. Er was een beurskrach ontstaan: aandelen werden in één klap veel minder waard. Veel Amerikanen verloren al hun spaargeld en raakten diep in de schulden. Zij konden niet veel geld meer uitgeven. Bedrijven konden daardoor minder verkopen en moesten werknemers ontslaan. Werklozen hadden helemaal weinig geld te besteden, waardoor bedrijven nog minder konden verkopen. Veel bedrijven gingen vervolgens failliet.
Bron 5: Paniek op 'Wallstreet' na het instorten van de beurs. 

Economische crisis

Vijftien miljoen Amerikanen raakten hun baan kwijt. Amerika raakte in een economische crisis. Die crisis sloeg al snel over naar Europa, doordat Amerika nu veel minder producten kocht van Europese bedrijven. Hierdoor gingen ook in Europa veel bedrijven failliet en ontstond een grote werkloosheid.
  

Bron 6: Extreme armoede in de Verenigde Staten als gevolg van de economische crisis.  
In Duitsland kwam de crisis extra hard aan. Duitsland moest als gevolg van het Verdrag van Versailles een enorme schadevergoeding betalen. Om dat te kunnen doen ging Duitsland steeds meer geld drukken. Hierdoor werd het geld steeds minder waard. Dit wordt inflatie genoemd. Bovenop dat probleem kwamen de faillissementen en de werkloosheid die de crisis met zich meebracht. De situatie werd nog ernstiger, doordat Amerika geen geld meer aan Duitsland wilde lenen. De Amerikanen hadden hun geld nu immers zelf hard nodig. Het Dawesplan verdween zo in de prullenbak. 

Republiek van Weimar

Duitsland was na de Eerste Wereldoorlog een democratie geworden. Voor het eerst in de Duitse geschiedenis mocht het volk stemmen op parlementsleden. Duitsland werd toen de Republiek van Weimar genoemd. Toen bleek dat de regering geen goed antwoord had op de economische crisis en de inflatie, werden steeds meer Duitsers ontevreden. Zij wilden een sterke leider die de problemen zou aanpakken. Een leider zoals Italië had. Een sterke leider zou Duitsland bovendien zijn trots en kracht teruggeven, waarvan na de Eerste Wereldoorlog maar weinig over was. 

Dolkstootlegende

De dolkstootlegende werd in de wereld gebracht door twee Duitse generaals na afloop van de Eerste Wereldoorlog. Het Duitse leger zou niet door de vijand verslagen zijn, maar door een 'dolkstoot in de rug': Het optreden van socialisten en communisten in 1918. Zij zouden Duitsland verraden hebben. Door deze verraders heeft Duitsland moeten stoppen met vechten en moesten zij daarna het zeer nadelige verdrag van Versailles ondertekenen.  

Een sterke man 

In Italië was men, net als in Duitsland, ontevreden. Hoge werkloosheid zorgde voor veel protesten en andere onrust. De overheid kon er weinig tegen doen.
   
De oud-soldaat Benito Mussolini, een goede spreker, vertelde het volk dat hij de problemen kon oplossen, als hij de macht zou krijgen. Zijn aanhangers noemden zich fascisten.
De fascisten hadden drie belangrijke waarden:
- Geen democratie, maar een sterke leider.
- Nationalisme is goed.
- Gebruik van geweld is goed.
Voor veel arbeiders was het fascisme aantrekkelijk. Een sterke leider zou hen een beter leven bieden, geloofden ze. Zij steunden Mussolini. Mussolini had een enorme hekel aan communisten. Hierdoor kreeg hij ook steun van rijke mensen, die bang waren dat er in Italië, net als in Rusland, een communistische revolutie zou komen. Ook katholieken steunden hem, omdat het communisme tegen godsdienst was.
Bron 7: Mussolini de dictator van Italië.

Politieke reclame

In 1922 werd Mussolini minister-president. Binnen enkele jaren maakte hij een einde aan de democratie. Andere meningen dan de zijne waren niet welkom.
 
Tegenstanders werden met grof geweld aangepakt. Om het volk duidelijk te maken dat zijn ideeën de beste waren, maakte Mussolini veel gebruik van propaganda: reclame voor politieke ideeën. Door middel van posters, radio-uitzendingen, toespraken, bijeenkomsten, foto’s en films werden de ideeën van de fascisten verheerlijkt. 
Bron 8: Mussolini geeft een toespraak en brengt de Romeinse groet.
In een speciaal soort propaganda werd de leider zélf opgehemeld: persoonsverheerlijking was een belangrijk onderdeel van het fascisme. Mussolini liet zich afbeelden als een groot leider, zodat iedereen besefte dat ze ontzettend blij mochten zijn met hem.

Opdrachten 3.2

1. Waarom wilden veel Amerikanen in de jaren ’20 zo graag aandelen kopen?
  
2. In 1929 was er een beurskrach. Waardoor gebeurde dit? Schrijf de zinnen in de goede volgorde in je schrift. De eerste en de laatste zin staan al op de juiste plaats.
I. Aandelen waren te duur geworden.
II. De paniek slaat toe. Heel veel mensen verkopen hun aandelen.
III. Sommige mensen bieden hun aandelen te koop aan.
IV. Andere mensen worden ook bang.
V. Meer aandelen worden te koop aangeboden.
VI. De waarde van de aandelen daalt nog verder.
VII. Daardoor worden aandelen minder waard.
VIII. De waarde van de aandelen daalt tot een dieptepunt: er is een beurskrach.

3. Leg uit hoe het kwam dat de economische crisis vanuit Amerika oversloeg naar Europa.

4. Duitsland kreeg het extra zwaar. Twee gevolgen van de crisis in Duitsland waren (1) en (2). Daarnaast had Duitsland veel last van inflatie. Dat woord betekent (3).

5. Horen de volgende zinnen wel of niet bij een parlementaire democratie?
Leg steeds je antwoord uit.
I. Eén man heeft alle macht in handen.
II. De bevolking mag stemmen. De bevolking heeft dus de macht.
III. De republiek van Weimar.

6. Waarom waren veel Duitsers ontevreden over hun parlementaire democratie?

7. Wat had de Eerste Wereldoorlog te maken met de Duitse behoefte aan een sterke leider?

8. Wat is het doel van propaganda?

9. Wat is het doel van persoonsverheerlijking.

10. Was er in het Italië van Mussolini sprake van terreur? Leg uit hoe je dat weet.

3.3 Adolf Hitler aan de macht

De Republiek van Weimar bestond niet lang. Behalve de Sovjet-Unie en Italië, werd ook Duitsland een totalitaire samenleving. 
Dit had grote gevolgen voor de Duitse bevolking.

- Hoe veranderde Duitsland nadat Adolf Hitler er de macht kreeg?

De NSDAP

Kort na de Eerste Wereldoorlog werd de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiders Partij (NSDAP) opgericht. Vrijwel vanaf het begin was Adolf Hitler de leider van deze partij. 

Hitler hamerde steeds op de kernpunten van het nationaalsocialisme:
  Duitsland moet weer een sterke leider krijgen. De regering van de Republiek van Weimar kan de economische problemen niet oplossen. Ook neemt deze regering geen wraak voor de schande van Versailles. De democratie werkt dus niet.
Nationalisme. Duitsland is een land om trots op te zijn.
Lebensraum, ofwel ‘leefruimte’. In Duitsland wonen veel mensen. Die mensen hebben meer gebied nodig om te wonen, maar ook voor landbouw en industrie is meer ruimte nodig.
Geweld gebruiken is een goede manier om je doelen te bereiken.
Jodenhaat, ook wel antisemitisme genoemd. De joden zijn in de ogen van de NSDAP een groot gevaar voor de Duitse samenleving.
Het antisemitisme was onderdeel van een rassenleer, waarin mensen werden beoordeeld op hun afkomst. Mensen die afstammen van Germaanse volken, de volken die in de Romeinse tijd het noorden en westen van Europa bewoonden, werden ‘Übermenschen’ genoemd. Zij waren volgens de aanhangers van de NSDAP, de nazi’s, meer waard dan anderen. Mensen die niet van de Germanen afstamden, zoals mensen uit Oost-Europa en Rusland, werden ‘Untermenschen’ genoemd. Ook psychiatrische patiënten, Sinti en Roma en homoseksuelen waren volgens de nazi’s ‘Untermenschen’. 

Hitler als leider

In 1930 en 1932 haalde de NSDAP grote verkiezingsoverwinningen. Een jaar later werd Hitler rijkskanselier, ongeveer hetzelfde als minister-president. De Duitse president Von Hindenburg stierf in 1934. Hitler werd toen alleenheerser en liet zich ‘Führer’ noemen, ‘leider’. Hitler wilde dat iedere Duitser dezelfde ideeën had als hij. Hierdoor zouden mensen niet snel in opstand komen tegen hem. Om dit te bereiken begon Hitler een gelijkschakeling. Alle politieke partijen, behalve de NSDAP, werden verboden. Leiders van scholen, jeugdverenigingen, musea en andere plaatsen waar mensen ideeën opdoen, moesten nazi’s zijn. 
Bron 9: De partijdagen in Neurenberg 1934. 700.000 aanhangers bezochten deze partijdagen.   
Schoolboeken werden herschreven, zodat er alleen dingen in stonden die Hitler goed vond. Er kwam een strenge censuur: kranten en radiozenders werden gecontroleerd door nazi’s en alles wat niet overeenkwam met hun ideeën, mocht niet worden gepubliceerd. Ook boeken waarin ideeën stonden die volgens de nazi’s slecht waren, werden verboden. De Duitse bevolking hoorde nauwelijks nog andere ideeën dan die van de van nazi’s, waardoor veel mensen die ideeën geloofden zonder erover na te denken. Dit heet indoctrinatie

Wie was adolf Hitler

Hitler werd in 1889 geboren in het Oostenrijkse Braunau am Inn. Hij wilde kunstschilder worden, schreef zich in aan de kunstacademie van Wenen, maar werd niet aangenomen. Rond het begin van de Eerste Wereldoorlog verhuisde hij naar het Duitse München en nam dienst in het Duitse leger. Hij vocht vier jaar en raakte meermalen gewond. Na de oorlog ging hij terug naar München. Hitler had ideeën over hoe de problemen van Duitsland moesten worden aangepakt en ging zich steeds meer met politiek bemoeinen. 

Dat was niks bijzonders: veel oud soldaten deden dat. Doordat Hitler een goede spreker was, kreeg hij steeds meer aanhang. Uiteindelijk werd hij de leider van Duitsland. Zes jaar later begon hij de Tweede Wereldoorlog, een oorlog die tientallen miljoenen levens kostte. In 1945 pleegde Hitler zelfmoord. 

Terreur

Mensen die zich tegen de nazi’s verzetten, werden strenger gestraft. Al enkele maanden nadat Hitler rijkskanselier was geworden, werd het eerste concentratiekamp geopend. Hier werden tegenstanders van de nazi’s opgesloten. Al snel volgde terreur tegen de joden. In 1935 werden de Neurenberger rassenwetten ingevoerd. In deze wetten stond precies aangegeven welke mensen geen ‘echte Duitsers’ waren. Mensen van wie drie of vier grootouders geen ‘Übermenschen’ waren zoals Joden, waren dat niet. Zij kregen vele verboden opgelegd. Zo mochten zij geen seks hebben met Duitsers, geen Duitsers als werknemers aannemen en niet voor de overheid werken. 

Opdrachten 3.3

1. A. Schrijf de vijf kernpunten van de nazi’s in je eigen woorden op. 
Laat onder ieder kernpunt een regel open.
B. Schrijf in je antwoord van opdracht 1a onder ieder punt of de Italiaanse fascisten dit ook een belangrijk punt vonden, of niet.
C. Bij het eerste punt staat dat de regering geen wraak nam voor ‘de schande van Versailles’. Bedenk wat hiermee wordt bedoeld.

2. Wat wordt bedoeld met ‘antisemitische maatregelen’?

3. Maak een tijdsbalk van Hitlers leven. 
Zet daarin de jaartallen: 1889 – 1914 – 1918 – 1930 – 1932 – 1933 – 1934 – 1945.

4. A. Wat was het doel van de gelijkschakeling.
B. Leg uit wat de Hitlerjugend te maken heeft met het begrip gelijkschakeling.
C. Leg uit wat de Hitlerjugend te maken heeft met het begrip indoctrinatie.

5. A. Wat is censuur. Leg je antwoord uit.
B. Wat heeft het verbranden van boeken te maken met het begrip censuur?

6. Lees terreur.
A. Welke drie racistische regels uit de Neurenberger rassenweten lees je in de tekst?
B. Reageer op de volgende stelling: In 1935 begonnen de nazi’s hun rassenleer in de praktijk te brengen.

7. Voor het Duitse volk veranderde er veel nadat Hitler de macht kreeg. Leg uit hoe de volgende zaken het leven van de Duitsers veranderden.
A. Gelijkschakeling
B. Censuur
C. De Neurenberger rassenwetten.

3.4 Nederland in het Interbellum 

Na de Eerste Wereldoorlog kreeg de wereld te maken met een grote economische crisis en het ontstaan van verschillende totalitaire samenlevingen. Ook de Nederlandse economie raakte in een crisis, maar ons land werd geen totalitaire samenleving.

- Hoe was het dagelijks leven in Nederland in de jaren 1918-1939?

Werkverschaffing

Nederland kreeg ook te maken met de economische crisis. Honderdduizenden mensen verloren hun baan en er gingen veel bedrijven failliet. De Nederlandse regering besloot een deel van de werklozen in te zetten voor grote klussen, de werkverschaffingsprojecten. De overheid betaalde deze mensen een laag loon, net genoeg om een gezin van in leven te houden. Voor dit loon moeten de mensen werken aan projecten waar iedereen voordeel van had, zoals de aanleg van wegen, kanalen en dijken. Ook werden eer stadsparken aangelegd. Het Kralingse Bos in Rotterdam, stadspark de Goffert in Nijmegen, het Amsterdamse bos en het Julianapark in Utrecht zijn daar enkele voorbeelden van.
Als het slecht gaat met de economie, ontvangt de overheid minder belasting. De overheid kan dan kiezen: Schulden maken, of minder uitgeven. Minister-president Colijn koos voor dat laatste. Hij voerde een aanpassingspolitiek. Dit betekent dat de regering nooit meer geld uitgeeft dan dat er binnenkomt. Hierdoor moest de overheid bezuinigen. Salarissen van ambtenaren en uitkeringen werden lager. De aanpassingspolitiek werkte niet goed. Doordat er minder geld werd uitgegeven door de overheid, konden veel mensen minder producten kopen dan ze gewend waren. Hierdoor werd er door bedrijven en fabrieken minder verkocht. De crisis duurde in Nederland langer dan in de landen om ons heen. Aan het einde van de jaren ’30 verbeterde de economische situatie weer. 
Bron 10: Verkiezingsposter van de Anti-Revolutionaire Partij uit 1925. Colijn als stuurman.   

De verzuiling zet door 

In hoofdstuk 1 heb je gelezen dat Nederland was verdeeld in vier groepen, de zuilen. Doordat bijna iedereen zich tot een van die zuilen aangetrokken voelde, kregen nieuwe politieke stromingen weinig kans. Het communisme, het fascisme en het nationaalsocialisme kregen weinig aanhangers in ons land.

Nederland bleef een parlementaire democratie. De Nationaals-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert, een partij die grotendeels dezelfde denkbeelden had als de Italiaanse fascisten, heeft nooit meer dan acht procent van de stemmen gehaald. Toen het weer beter ging met de economie, halveerde dat percentage zelfs nog.

Wie was Hendrik Colijn? 

Hendrik Colijn werd geboren in 1869 in een christelijk boerengezin. Hij wilde geen boer worden en ging naar de militaire academie. Als officier vocht hij jarenlang in oorlogen in Nederlands-Indië. In een brief schreef hij: ‘Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een verhoging moeten zetten en ze dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten’
Colijn heeft later veel kritiek gekregen omdat hij volgens velen onnodig wreed was geweest. Terug in Nederland ging hij de politiek in. Hij werd een steeds belangrijker man in de protestantschristelijke ARP (Anti-Revolutionaire partij).
Na de dood van Abraham Kuyper volgde Colijn hem op als leider van de ARP. In de periodes 1925-1926 en 1933-1939 was hij minister-president van Nederland. Hij stierf tijdens de Tweede Wereldoorlog als gevangene in Duitsland.

Neutraal blijven

In de loop van de jaren ’30 werd steeds duidelijker dat er een nieuwe oorlog aan zat te komen. Colijn hoopte dat Nederland, nets als tijdens de Eerste Wereldoorlog, neutraal zou kunnen blijven. Nederland reageerde daarom nauwelijks op de gebeurtenissen in Duitsland, zoals de Neurenberger rassenwetten. Als Nederland daar felle kritiek op zou geven, zou Duitsland kunnen denken dat Nederland niet neutraal was.
Veel Duitse joden wilden naar Nederland, vluchten, maar de meesten van hen werden zonder pardon teruggestuurd.
In 1936 werden de Olympische Spelen in Duitsland gehouden. Sommige sporters weigerden meet te doen, omdat zij op die manier tegen Hitler en zijn beleid wilden protesteren. Deze sporters waaronder de Nederlands-Joodse bokser Ben Bril, probeerden de overheid te overtuigen dat alle Nederlandse sporters thuis moesten blijven. De overheid weigerde de Olympische Spelen te boycotten, omdat dat niet ‘neutraal’ zou zijn. Nederland won zes gouden medailles op de Spelen in Berlijn.

Opdrachten 3.4 

1. Wat betekent het woord interbellum?
  
2. A. Veel mensen werkten in de werkverschaffing. Waarom deden ze dat?
B. Welk voordeel had samenleving van werkverschaffingsprojecten?
C. Hoe kwam het dat de aanpassingspolitiek niet goed werkte?

3. Welk negatief punt over Colijn wordt in de tekst genoemd?

4. A. Welke vier zuilen waren er in Nederland?
B. Leg uit dat de verzuiling Nederland beschermde tegen politieke stromingen die een totalitaire samenleving wilden.
C. Bij welke zuil hoorde Hendrik Colijn?

5. A. Waarom voelden vooral arbeiders zich aangetrokken tot de NSB?

6. Neutraliteit
A. Welke drie beslissingen van de Nederlandse overheid wat betreft de neutraliteit heb je in de tekst gelezen?  

3. Begrippen

Russische Revolutie:​ Volksopstand in Rusland in 1917 waarbij de communisten de macht
overnamen van de Tsaar.

Communisten:​ Politieke groep die gelooft dat armoede kan worden opgelost door privébezit
af te schaffen. Alle bezittingen zijn eigendom van de staat.

Totalitaire samenleving:​ Samenlevingsvorm waarin de overheid alle macht heeft.

Terreur: ​Geweld tegen willekeurige personen.

Showproces: ​Oneerlijke rechtszaak waarbij het vonnis al van tevoren vaststaat.

Planeconomie: ​Economisch systeem waarin de overheid bepaalt wat en hoeveel er wordt
geproduceerd.

Beurskrach: ​Een snelle waardedaling van aandelen.

Republiek van Weimar:​ Naam voor de Duitse ( democratische ) republiek tussen 1919 -
1933.

Fascisten: ​Politieke groep die vindt dat een land een sterke leider moet hebben. Ook zijn
fascisten nationalistisch en keuren ze geweld toe.

Propaganda: ​Politieke reclame.

Persoonsverheerlijking:​ Reclame voor een politieke leider. Persoonsverheerlijking is een
voorbeeld van propaganda.

NSDAP: ​Afkorting van Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij. Politiek partij van
Adolf Hitler.

Nationaal-Socialisme:​ Politieke stroming die uitgaat van een sterke leider, nationalisme,
geweld tegen tegenstanders en racisme.

Lebensraum: ​Duitse voor ́leefruimte ́. Het idee dat het Duitse volk meer grondgebied nodig
heeft.

Antisemitisme:​ Jodenhaat.

Rassenleer:​ Het idee dat mensen van verschillende rassen afstammen en dat het ene ras
beter is dan het andere.

Gelijkschakeling:​ Ontwikkelingen in Duitsland tussen 1933 en 1937 waarbij de nazi ́s alle
onderdelen van de samenleving gingen controleren.

Censuur:​ Controle van de media door de overheid.

Indoctrinatie: ​Mensen alleen bepaalde ideeën laten horen en zien, zodat ze die ideeën
geloven zonder er verder over na te denken.

Neurenberger rassenwetten:​ Duitse racistische wetgeving uit 1935. Joden kregen door de
Neurenberger rassenwetten minder rechten en meer plichten dan anderen.

Werkverschaffingsproject: ​Projecten waaraan werklozen tegen een laag loon werkten en
die van nut waren voor iedereen, zoals de aanleg van wegen en kanalen.

Aanpassingspolitiek:​ Beleid van de overheid om niet meer geld uit te geven dan er
binnenkomt. Minister-president Colijn voerde in de jaren ́30 een aanpassingspolitiek.

NSB:​ Afkorting van Nationaal-Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die het
op veel punten met de Duitse NSDAP eens was. Anton Mussert was de leider van de NSB.

Aandeel:​ Bewijs dat je mede-eigenaar bent van een bedrijf. De waarde van een aandeel is
afhankelijk van hoe goed het met het bedrijf gaat.

Economische crisis:​ Periode waarin het slecht gaat met de economie.

Paranoïde: ​Lijdend aan het idee dat je steeds achtervolgd wordt.

3. Jaartallen

1919: ​Republiek van Weimar.
1922:​ Mussolini minister-president van italië.
1924: ​Lenin gaat dood.
1928: ​Stalin aan de macht in de Sovjet-Unie.
1929: ​Beurskrach in de Verenigde Staten.
1933: ​Hitler minister-president (bondskanselier) van Duitsland.
1934:​ Hitler alleenheerser over Duitsland.
1935: ​Neurenberger rassenwetten.

Antwoorden

Kijk je antwoorden na als je alle opdrachten gemaakt hebt. Je docent weet het wachtwoord.