Russische Revolutie: Volksopstand in Rusland in 1917 waarbij de communisten de macht
overnamen van de Tsaar.
Communisten: Politieke groep die gelooft dat armoede kan worden opgelost door privébezit
af te schaffen. Alle bezittingen zijn eigendom van de staat.
Totalitaire samenleving: Samenlevingsvorm waarin de overheid alle macht heeft.
Terreur: Geweld tegen willekeurige personen.
Showproces: Oneerlijke rechtszaak waarbij het vonnis al van tevoren vaststaat.
Planeconomie: Economisch systeem waarin de overheid bepaalt wat en hoeveel er wordt
geproduceerd.
Beurskrach: Een snelle waardedaling van aandelen.
Republiek van Weimar: Naam voor de Duitse ( democratische ) republiek tussen 1919 -
1933.
Fascisten: Politieke groep die vindt dat een land een sterke leider moet hebben. Ook zijn
fascisten nationalistisch en keuren ze geweld toe.
Propaganda: Politieke reclame.
Persoonsverheerlijking: Reclame voor een politieke leider. Persoonsverheerlijking is een
voorbeeld van propaganda.
NSDAP: Afkorting van Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij. Politiek partij van
Adolf Hitler.
Nationaal-Socialisme: Politieke stroming die uitgaat van een sterke leider, nationalisme,
geweld tegen tegenstanders en racisme.
Lebensraum: Duitse voor ́leefruimte ́. Het idee dat het Duitse volk meer grondgebied nodig
heeft.
Antisemitisme: Jodenhaat.
Rassenleer: Het idee dat mensen van verschillende rassen afstammen en dat het ene ras
beter is dan het andere.
Gelijkschakeling: Ontwikkelingen in Duitsland tussen 1933 en 1937 waarbij de nazi ́s alle
onderdelen van de samenleving gingen controleren.
Censuur: Controle van de media door de overheid.
Indoctrinatie: Mensen alleen bepaalde ideeën laten horen en zien, zodat ze die ideeën
geloven zonder er verder over na te denken.
Neurenberger rassenwetten: Duitse racistische wetgeving uit 1935. Joden kregen door de
Neurenberger rassenwetten minder rechten en meer plichten dan anderen.
Werkverschaffingsproject: Projecten waaraan werklozen tegen een laag loon werkten en
die van nut waren voor iedereen, zoals de aanleg van wegen en kanalen.
Aanpassingspolitiek: Beleid van de overheid om niet meer geld uit te geven dan er
binnenkomt. Minister-president Colijn voerde in de jaren ́30 een aanpassingspolitiek.
NSB: Afkorting van Nationaal-Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die het
op veel punten met de Duitse NSDAP eens was. Anton Mussert was de leider van de NSB.
Aandeel: Bewijs dat je mede-eigenaar bent van een bedrijf. De waarde van een aandeel is
afhankelijk van hoe goed het met het bedrijf gaat.
Economische crisis: Periode waarin het slecht gaat met de economie.
Paranoïde: Lijdend aan het idee dat je steeds achtervolgd wordt.