lesplan

1. Nederland 1900-1914

Wil je met dit lesplan aan de slag? Klik op de knop hieronder om een eigen kopie te maken in 'Mijn Lessen'. Vervolgens kun je de lessen aanpassen naar jouw wensen.

Het historisch overzicht vanaf 1848

Inleiding

Het is een drukte van belang op de haven van Middelharnis. Visserschepen komen af en aan. Vrouwen en kinderen staan op de kade te wachten om straks hun familieleden weer in de armen te kunnen sluiten. Handelaren pakken nog snel een drankje in een van de kroegjes aan de haven, maar ook zijn zij benieuwd naar de vangst!

Middelharnis heeft een rijk visserijverleden. Aan het eind van de negentiende eeuw varen nog zo’n twintig houten schepen, elk met dertien bemanningsleden. De jongste is het ‘Kofjekokertje’, een ventje van ongeveer twaalf jaar, die allerlei klusjes aan boord doet waaronder koffie zetten en schoonmaken. Een beeld van het ‘Kofjekokertje’ staat aan de haven van Middelharnis.
Bron 1: 
Middelharnis op een ansichtkaart in 1900. Veel is nog hetzelfde, maar er is ook een hoop veranderd.
Bron 2:
Video van de geschiedenis van Goeree-Overflakkee
Bron 3:
Er is zelfs een boek verschenen over het ‘Kofjekokertje’ van Middelharnis.

Waar gaat het over?

Honderd jaar geleden was het dagelijks leven heel anders dan nu. Veel spullen die wij doodnormaal vinden waren toen nog onbekend of bestonden nog niet eens. Elektrisch licht, auto’s, smartphones, computers de mensen hadden er nog nooit van gehoord. In dit hoofdstuk verdiepen we ons in het leven van mensen uit de vorige eeuw.

Opdrachten inleiding 

Opdracht 1: Bekijk bron 1.
De haven van Middelharnis ziet er tegenwoordig anders uit dan in 1900.
 Beschrijf drie verschillen tussen Middelharnis in 1900 en Middelharnis nu.

Opdracht 2: Het leven van de vissers van Middelharnis kon best gevaarlijk zijn en hun reis verliep dan ook niet altijd goed.
 Zoek op internet naar het leven van de vissers van Middelharnis. Noem twee voorbeelden van de gevaren waar zij mee te maken hadden.

Opdracht 3: Bekijk het onderstaande bestand: De Rotterdamsche Tramweg Maatschappij op Goeree-Overflakkee.
a. Wat heeft de RTM te maken met Goeree-Overflakkee?
b. Vind jij het jammer dat de RTM niet meer bestaat? Denk ook aan de reistijd.

PDF

1.1 Dagelijks leven in de vorige eeuw

  •  In 1900 was het leven anders dan tegenwoordig. In deze paragraaf bestuderen we het dagelijks leven in Nederland in de periode 1900-1914. 

Industrialisatie 

In de loop van de negentiende eeuw waren er in Nederland vooral in de buurt van steden veel fabrieken gebouwd. Deze industrialisatie had Nederland behoorlijk veranderd. Voor de industrialisatie had het grootste deel van de bevolking in de landbouw gewerkt, maar nu was een groot deel fabrieksarbeider geworden. De arbeiders maakten lange werkdagen tegen een laag loon. Besmettelijke ziektes, slechte woningen en armoede zorgden ervoor dat veel arbeiders een zwaar leven hadden.

Maar de industrialisatie had ook positieve kanten. Door de komst van de machines werd er meer en sneller geproduceerd. Hierdoor werden producten goedkoper. Steeds meer mensen konden steeds meer producten kopen: de welvaart steeg.

Bron 4: Werken in de fabriek.  

Sociale wetten zorgen voor een beter leven

In de tweede helft van de negentiende eeuw maakten steeds meer mensen zich zorgen over de moeilijk levensomstandigheden van de arbeiders en hun gezinnen. Velen vonden dat de overheid moest ingrijpen om de situatie van de arbeiders te verbeteren. De overheid deed dat door middel van een aantal sociale wetten. In 1901 kwam er een wet op de leerplicht, waardoor kinderen van 6 tot 12 jaar verplicht naar school moesten. In datzelfde jaar werd de Woningwet ingevoerd, in die wet stond dat woningen van een redelijke kwaliteit moesten zijn.

Ook kwam er een Ongevallenwet, deze wet beschreef dat arbeidsongeschikten een kleine uitkering kregen. Dankzij dit soort regelingen verbeterden de levensomstandigheden van de arbeiders en hun gezinnen.

Bron 5:
De overheid ging zich vanaf 1900 steeds meer bemoeien met het gedrag van de bevolking door voorlichting te geven over gezondheid, hygiëne en veiligheid. Deze poster uit 1923 werd door de Nederlandse overheid verspreid in bedrijven en werkplaatsen.

Een prachtige eeuw

Aan het begin van de twintigste eeuw werden er veel uitvindingen gedaan. Voorbeelden hiervan zijn de eerste auto’s en de eerste vliegtuigen. Het reizen zou daardoor een stuk makkelijker gaan worden. Ook begrepen wetenschappers rond 1900 steeds beter hoe ze elektriciteit konden toepassen. Daardoor werden er allerlei elektrische apparaten uitgevonden, zoals de radio, de stofzuiger, de grammofoon en de telefoon.
   
Artsen ontdekten steeds meer over de werking van het menselijk lichaam. Rond 1850 ontdekten zij bijvoorbeeld hoe ze mensen konden verdoven tijdens operaties. Patiënten waren hier uiteraard erg blij mee! Ook leerden artsen dat infecties worden veroorzaakt door bacteriën. Door een betere hygiëne konden veel ziektes voorkomen worden. Dankzij dit soort ontdekkingen werden mensen gemiddeld ouder, stierven er minder jonge kinderen en groeide de bevolking.

De nieuwe uitvindingen en ontdekkingen werden voor steeds meer mensen betaalbaar, omdat het goed ging met de economie. Door al deze ontwikkelingen werd er vol hoop en goede moed naar de nieuwe eeuw gekeken. De nieuwe eeuw zou prachtig worden!

Bron 6:
De eerste autobus op Flakkee van de heer De Zanger uit Rotterdam. Deze onderhield een lijndienst naar Ouddorp vanuit Middelharnis. 1918.

1.1 Opdrachten

1.2 De strijd 

  • In 1900 hadden niet alle mensen dezelfde rechten. Er bestond bijvoorbeeld geen algemeen kiesrecht. In deze paragraaf bestuderen we hoe de strijd om gelijke rechten verliep. 

Liberalisme

Aan het beging van de twintigste eeuw mocht niet iedereen stemmen. Alleen mannen die een bepaalde hoeveelheid belasting betaalden, hadden stemrecht. Deze mannen bepaalden wie er in het parlement kwamen en dus hoe Nederland werd bestuurd.

Veel rijken waren liberalen. Liberalen vonden dat het de taak van de overheid was om voor orde en veiligheid te zorgen. Verder moest de overheid zich zo min mogelijk bemoeien met de burgers.
Voor de liberalen was vrijheid voor ieder mens heel belangrijk. Als iemand vrij is, kan hij zich ontwikkelen en de dingen bereiken die hij wil, vonden zij. Omdat liberalen vrijheid zo belangrijk vonden, waren zij voorstanders van de vrijheid van meningsuiting en van godsdienstvrijheid.

Socialisme 

Er waren ook mensen die het oneerlijk vonden dat een kleine groep mensen het meeste geld en macht in handen had. Zij wilden dat de overheid zich wel bemoeide met de samenleving om ervoor te zorgen dat de macht en de rijkdom eerlijker zouden worden verdeeld. Zij streefden naar een rechtvaardiger samenleving en noemden zich daarom socialisten. In verschillende Europese landen ontstonden socialistische politieke partijen. De socialisten zetten zich in voor algemeen kiesrecht, want als iedereen mocht stemmen, dan zou de macht eerlijker zijn verdeeld. 

Een belangrijke socialist was Pieter Jelles Troelstra (foto). Troelstra was advocaat. Hij ergerde zich aan het onrecht dat hij in de samenleving zag en richtte met twee vrienden de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) op. De SDAP zette zich in voor algemeen kiesrecht en voor meer en betere sociale wetten. Troelstra heeft meer dan twintig jaar in de Tweede Kamer gezeten. Hij hield vaak lange, heftige toespraken waarin hij opriep tot grote veranderingen.

Bron 7:
Een verkiezingsposter van de SDAP uit 1927.

Actie! 

Als de arbeiders hun situatie wilden verbeteren moesten zij samenwerken. Als één arbeider klaagde over slechte werkomstandigheden, was de kans groot dat hij werd ontslagen. De baas nam dan gewoon een andere arbeider in dienst. Maar als alle arbeiders tegelijk klaagden, kon hij hen niet allemaal ontslaan. Zijn fabriek zou dan stilliggen en dat kostte hem een vermogen.
   
Overal in Europa richtten arbeiders nu vakbonden op. Dit zijn organisaties die namens een grote groep arbeiders in dezelfde bedrijfstak onderhandelden met de fabriekseigenaren. Ieder vakbondslid betaalde maandelijks een geldbedrag aan de vakbond. Dat geld ging in een spaarkas. Als de fabrikant niet luisterde naar de eisen van de vakbond, konden de arbeiders gaan staken. Omdat ze dan geen loon kregen, ontvingen ze wat geld uit de spaarkas van de vakbond. Ook als een vakbondslid ziek werd, kreeg hij een kleine uitkering uit de spaarkas.

Bron 8:
Politieke prent van Albert Hahn. Hahn maakte deze prent naar aanleiding van de grote spoorwegstaking in 1903. Onder de prent stond de volgende tekst: "Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil".

Feminisme

Rond 1900 hadden vrouwen minder rechten dan mannen. Ze hadden bijvoorbeeld geen stemrecht en mochten geen hoger onderwijs volgen. In rijke gezinnen was de vrouw huisvrouw, in arme gezinnen gingen de meisjes direct na de lagere school (vroegere basisschool) werken. Werkende vrouwen ontvingen vaak minder salaris dan mannen die hetzelfde werk deden.

Vooral vrouwen uit rijke families hadden steeds meer kritiek op deze ongelijke situatie. Ze gingen zich inzetten voor de emancipatie van de vrouw. Dat betekent dat ze dezelfde rechten wilden als mannen. Deze vrouwen noemden zichzelf feministen.

Tussen 1880 en 1920, de eerste feministische golf, lieten zij veel van zich horen. Een belangrijke feministe was Aletta Jacobs (foto). Zij werd in 1854 geboren als dochter van een huisarts. Ze bewonderde haar vader en het werk dat hij deed. Omdat ze graag wilde studeren, schreef haar vader een brief aan minister Thorbecke. Thorbecke gaf Aletta toestemming naar de universiteit te gaan. Ze werd de eerste vrouwelijke student van de negentiende eeuw.


Nadat zij haar studie had afgerond, werd Aletta Jacobs arts in Amsterdam. Ze zette zich vooral in voor het verbeteren van de gezondheid van vrouwen, bijvoorbeeld door voorbehoedsmiddelen bekend te maken. Ook arme vrouwen en prostituees konden op haar hulp rekenen, soms zelf gratis. Aletta zette zich ook in voor het verbeteren van vrouwenrechten. Ze streed tientallen jaren voor vrouwenkiesrecht. Ook wilde ze dat meisjes en jongens een grote kans zouden hebben op goede onderwijs.

1.2 Opdrachten

Opdracht 1: Lees: Liberalisme.
a. Welke groep had aan het begin van de twintigste eeuw wel stemrecht?
b. Het woord liberalen is afgeleid van het Franse liberté, dat vrijheid betekent. Vrijheid was voor liberalen dan ook erg belangrijk. 
- Haal uit de tekst drie voorbeelden waaruit dat blijkt.

Opdracht 2: Lees: Socialisme:
a. Zijn de volgende uitspraken van een socialist of van een liberaal? Neem het schema over in je schrift en zet de uitspraken in de juiste kolom.
I. Iedereen moet kunnen doen wat hij wil.
II. Niet iedereen kan doen wat hij wil, want arme mensen hebben veel minder mogelijkheden dan           rijke mensen.
III. De overheid moet zorgen dat arme mensen een beter leven krijgen.
IV. De overheid moet zich alleen bemoeien met dingen die het hele land aangaan, zoals het                        verdedigen van het land als er oorlog komt.
V. Politiek is een zaak voor mensen die goed opgeleid zijn.
VI. Politiek gaat iedereen aan.

Opdracht 2b
b. Voor welke twee zaken zette de SDAP zich in?

Opdracht 3: Gebruik bron 7.
a. Uit welk beeldelement kun je opmaken dat de SDAP zich inzette voor de belangen van de arbeiders?
b. Tegen welke twee groepen streed de SDAP, volgens deze afbeelding?
Het beeldelement is: … (vul je antwoord in).
De SDAP streed tegen: ... (vul je twee antwoorden in).

Opdracht 4: Lees: Actie!
a. Wat zijn vakbonden?
b. Bedenk hoe de volgende groepen mensen dachten over vakbonden. Beargumenteer je antwoorden.
1. Arbeiders
2. Fabrikanten
3. Socialisten
4. Liberalen

Opdracht 5: Lees: Feminisme.
Welke drie voorbeelden van ongelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen lees je in de tekst?

1.3 de Verzuiling

  • In welke vier groepen was de Nederlandse bevolking verdeeld en welke gevolgen had dat? 

De schoolstrijd

Veel kinderen gingen naar openbare scholen. Deze scholen werden betaald door de overheid. In de openbare scholen leerden alle kinderen hetzelfde over godsdienst. Veel katholieken en protestanten richtten daarom zelf scholen op, omdat zij wilden dat hun kinderen katholiek of protestants godsdienstonderwijs zouden krijgen.
Deze scholen werden niet betaald door de overheid, maar door de gelovigen zelf. De gelovigen wilden dit veranderen. Volgens hen moest de overheid ook de christelijke scholen betalen. De liberalen voelden hier niets voor. Dit conflict over het onderwijs, de schoolstrijd, duurde vele tientallen jaren.
Om sterker te staan in dit conflict, richtten zowel de protestanten als de katholieken een politieke partij op. De protestanten deden dit onder leiding van Abraham Kuyper en noemden hun partij de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). De katholieken richtten de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) op en hadden Herman Schaepman als leider. Deze partijen worden de confessionelen genoemd, partijen die de belijdenis (confessie) van hun godsdienst als uitgangspunt namen voor hun politieke ideeën.

Verzuiling

Er waren in Nederland vier groepen mensen in de politiek actief: de liberalen, de socialisten, de protestanten en da katholieken. Deze vier groepen, die ook wel ‘zuilen’ werden genoemd, waren het over veel dingen oneens en wilden steeds minder met elkaar te maken hebben. De bevolking leefde zo veel mogelijk binnen de eigen zuil. Iedere zuil had een eigen krant, een eigen vakbond een eigen radio-omroep. Het ging verder: er ontstonden katholieke sportverenigingen, socialistische tijdschriften, protestantse zangkoren, enzovoort. De samenleving raakte geheel verzuild: verdeeld in vier groepen. 
De leiders van vier zuilen realiseerden zich dat ze moesten samenwerken om dingen te kunnen bereiken. Daarom overlegden de politieke leiders van de zuilen veel. De gewone mensen hadden echter weinig contact met mensen uit een andere zuil. Zij leefden binnen hun eigen groep.

Bron 9: Het vaandel (=vlag) van een arbeidersbeweging uit Afdschinveld. 

Abraham Kuyper

Abraham Kuyper hier te zien op een foto (1837-1920) was een protestantse dominee die in Amsterdam werkte. In 1879 richtte hij de Anti-Revolutionaire Partij op. Die naam gaf aan dat de partij tegen sommige ideeën uit de tijd van de Franse Revolutie was (anti-tegen). Vooral het idee dat God niet belangrijk is, of zelfs niet bestaat, vonden de leden van de ARP niet juist. De anti-revolutionairen waren behoudend, zij wilden zo veel mogelijk hetzelfde laten. 
Velen van Kuypers aanhangers waren ‘kleine luyden’, eenvoudige, gewone mensen. Omdat die vaak geen stemrecht hadden, wilde Kuyper dat meer mensen stemrecht zouden krijgen.
Behalve dominee en politicus was Kuyper ook journalist. In de krant De Standaard, waarvan hij de hoofdredacteur was, schreef hij veel artikelen, o.a. over de schoolstrijd. In 1901 werd Kuyper minister-president.

De Pacificatie 

Aan het begin van de twintigste eeuw waren er twee politieke problemen die al vele jaren speelden: het kiesrecht en de schoolstrijd. De liberale premier Cort van der Linden was vastbesloten om beide problemen op te lossen.
De socialisten wilden algemeen kiesrecht, de liberalen waren tegen. De confessionelen kozen partij voor de socialisten. Hierdoor was er een meerderheid in de Tweede Kamer en kwam er in 1917 algemeen mannenkiesrecht. Vrouwen kregen passief kiesrecht.
Dat hield in dat ze niet mocht stemmen, maar zich wel verkiesbaar mochten stellen. Twee jaar later kwam er alsnog algemeen vrouwenkiesrecht.
In ruil voor hun hulp kozen de socialisten partij voor de confessionelen in de schoolstrijd. Hierdoor was er een meerderheid die wilde dat de christelijke scholen voortaan ook door de overheid werden betaald.
De schoolstrijd was met deze Pacificatie van 1917 afgelopen. De verzuiling bleef bestaan tot ver in de twintigste eeuw.
Bron 10: Een spotprent van J. Braakensiek, gemaakt in december 1916. 

1.3 Opdrachten

Opdracht 1: Lees: De schoolstrijd.
a. Leg in je eigen woorden uit waar de schoolstrijd over ging. Gebruik in je antwoord de woorden ‘godsdienst’ en ‘geld’.
b. Neem het schema over en vul de ontbrekende gegevens in.
Opdracht 2: Lees: Abraham Kuyper
Zouden de anti-revolutionairen van Kuyper de volgende veranderingen steunen, of juist niet? 
Leg je antwoord uit.
I. Er moet een verbod komen op christelijk onderwijs.
II. De kleine luyden moeten stemrecht krijgen.

Opdracht 3: Bekijk bron 9.
a. Bij welke zuil hoorde de arbeidersbeweging die dit vaandel heeft laten maken?
b. Waarom zouden de makers van het vaandel een heiligenbeeld op de vlag hebben gezet?
c. Leg uit waarom dit vaandel een typisch voorbeeld van verzuiling is.

Opdracht 4: Lees: De Pacificatie.
a. Wat wilden de socialisten bereiken?
b. Wie hielpen hen daarbij en op welke manier?
c. Wat wilden de confessionelen bereiken?
d. Wie hielpen hen daarbij en op welke manier?
e. Leg uit waarom de gebeurtenissen waarover je in de tekst las, de ‘pacificatie van 1917’ worden              genoemd. Gebruik eventueel het internet of een woordenboek.

Opdracht 5:
a. In welke vier zuilen was de Nederlandse samenleving verdeeld?

b. Een belangrijk verschil van inzicht draaide om het onderwijs. Deze s…(1) werd opgelost in het jaar 1917. Ook kregen de mannen in dat jaar a…(2) k…(3). Voor de vrouwen volgde dat t…(4) jaar later.

1.4 Begrippen 

1.1
Industrialisatie: De overgang naar een samenleving waarin de industrie een belangrijk middel van bestaan is.

Sociale wetten: Wetten waarmee de overheid probeert het leven van voornamelijk arme mensen te verbeteren.

1.2
Liberalen: Politieke groep die vindt dat ieder mens zo veel mogelijk vrijheid moet hebben. De overheid moet zich zo min mogelijk met de samenleving en de economie bemoeien.

Socialisten: Politieke groep die vindt dat ieder mens evenveel kansen moet krijgen. De overheid moet de zwakkeren in de samenleving helpen.

SDAP: Sociaal-Democratische Arbeiders Partij. De grootste socialistische politieke partij.

Algemeen kiesrecht: Iedereen heeft het recht om bij verkiezingen te mogen stemmen.

Vakbond: Organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers.

Emancipatie: Evenveel rechten krijgen als andere groepen in de samenleving.

Feministen: Mensen die streven naar gelijke rechten voor mannen en vrouwen.

Eerste feministische golf: De periode tussen 1880 en 1920 toen er veel actie werd gevoerd voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen.

1.3
Schoolstrijd: Conflict tussen de (liberale) regering en de confessionelen over de vraag of de overheid christelijk onderwijs moet betalen.

ARP: Anti-Revolutionaire Partij. De grootste protestantse politieke partij.

RKSP: Rooms-Katholieke Staats Partij. De grootste katholieke politieke partij.

Confessionelen: Politieke groepen of partijen voor wij hun godsdienst het belangrijkste uitgangspunt is voor hun ideeën.

Verzuiling: Verdeling van de Nederlandse samenleving in vier groepen:
       Liberalen, socialisten, katholieken en protestanten. Tussen de groepen was
       nauwelijks contact, iedere groep had zijn eigen kranten, politieke partijen,
       jeugdclubs en dergelijke.

Pacificatie van 1917: Afspraak tussen de socialisten en de confessionelen. De socialisten hielpen de confessionelen aan een meerderheid om de schoolstrijd op te lossen, in ruil daarvoor stemden de confessionelen voor algemeen kiesrecht.

Jaartallen

1901: Wet op de leerplicht en ongevallenwet.
1901: Abraham Kuyper minister-president.
1903: Eerste vliegtuig.
1917: Pacificatie van 1917. Einde schoolstrijd. Algemeen mannenkiesrecht.
1919: Algemeen vrouwenkiesrecht.

Antwoorden

Kijk je antwoorden na als je alle opdrachten gemaakt hebt. Je docent weet het wachtwoord.