In deze les oefenen leerlingen met de trappen van vergelijking: de stellende trap, de vergrotende trap en de overtreffende trap. Zij leren wanneer zij -er en -st gebruiken en wanneer zij dan of even of net zo … als toepassen. Ook besteden we aandacht aan onregelmatige vormen zoals goed, veel, weinig en graag. Leerlingen passen de regels actief toe in zinnen, verbeteren fouten en gebruiken vergelijkingen in een korte schrijfopdracht.