Van verkoop naar winst
Van verkoop naar winst
De les is inhoudelijk economie, ondanks dat in de prompt ook 'filmpjes' staat. Binnen dit format kunnen alleen beelden worden opgenomen, geen video's.
Leerdoel
Ik kan afzet, omzet, bruto winst en btw uitleggen en met elkaar in verband brengen.
This item has no instructions
Welke woorden denk jij aan bij afzet, omzet, winst en btw?
Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Vraag eventueel welke woorden over aantallen gaan en welke over geld.
Afzet
Afzet is het aantal verkochte producten
Het gaat om hoeveel stuks je verkoopt
Afzet druk je uit in aantallen, niet in euro's
Voorbeeld: 80 verkochte broodjes = afzet 80
Benadruk het verschil tussen 'aantal' en 'geld'. Leerlingen halen afzet vaak door elkaar met omzet.
Afzet herkennen
Je kijkt bij afzet steeds naar de vraag: hoeveel is er verkocht?
Voorbeelden:
35 frisdrankblikjes
12 T-shirts
240 bioscoopkaartjes
Dit zijn allemaal aantallen en dus voorbeelden van afzet.
This item has no instructions
Meer of minder afzet
Afzet verandert bijvoorbeeld door:
prijs
reclame
seizoen
concurrentie
populariteit van een product
Houd het historisch/economisch eenvoudig: het doel is niet marktvormen uitleggen, maar factoren noemen die invloed hebben op verkochte aantallen.
Omzet
Omzet is het totale bedrag van alle verkopen samen
Omzet reken je uit met:
omzet = verkoopprijs × afzet
Omzet gaat dus over geld, niet over aantallen
Laat leerlingen zien dat omzet altijd in euro's wordt uitgedrukt.
Omzet berekenen
Voorbeeld:
verkoopprijs per notitieboek: €4
afzet: 150 stuks
€4 × 150 = €600 omzet
Noem dat een hoge afzet niet altijd hoge omzet betekent; dat hangt ook af van de verkoopprijs.
Afzet en omzet vergeleken
Een product kan:
hoge afzet hebben, maar een lage prijs
lage afzet hebben, maar een hoge prijs
Daarom zegt afzet niet automatisch alles over omzet.
Goed moment voor een kort mondeling voorbeeld: pennen versus smartphones.
Wat hoort bij afzet?
€600 ontvangen
150 stuks verkocht
21% belasting
€4 per stuk
Controleert het verschil tussen aantal, prijs, omzet en btw na de eerste uitleg over afzet en omzet.
Afzet en omzet
De afzet is het aantal verkochte producten. De omzet reken je uit door de verkoopprijs te vermenigvuldigen met de afzet. Daarom druk je omzet uit in euro's en afzet in aantallen.
Laat leerlingen de kernrelatie tussen afzet en omzet reconstrueren met de termen van de vorige slides.
Bruto winst
Bruto winst is wat overblijft van de omzet nadat de inkoopkosten eraf zijn
Formule:
bruto winst = omzet - inkoopwaarde van de omzet
Het gaat hier nog niet om andere kosten, zoals huur of loon
Gebruik consequent de term 'inkoopwaarde van de omzet' als kosten van de verkochte goederen.
Bruto winst berekenen
Voorbeeld:
omzet: €600
inkoopkosten van 150 notitieboeken: €300
€600 - €300 = €300 bruto winst
Maak duidelijk dat bruto winst niet hetzelfde is als nettowinst. Andere bedrijfskosten zitten er nog niet in.
Waarom 'bruto'?
Bruto winst is een tussenstap.
Na de inkoopkosten kunnen er nog andere kosten komen, zoals:
huur
personeel
energie
reclame
Daarom is bruto winst nog niet de uiteindelijke winst.
This item has no instructions
Wat trek je van de omzet af voor bruto winst?
de btw
de afzet
de inkoopwaarde
de verkoopprijs
Veelgemaakte fout is dat leerlingen btw of verkoopprijs verwarren met kosten. Hier gaat het om inkoopwaarde van de omzet.
Waarom is bruto winst nog niet de echte winst?
Bespreek dat bruto winst een tussenstap is: na aftrek van inkoopkosten blijven andere kosten zoals huur, loon, energie en reclame nog over.
Btw
Btw betekent: belasting over de toegevoegde waarde
Het is een bedrag dat de klant betaalt boven op de prijs exclusief btw
Bedrijven innen btw en dragen die af aan de overheid
Houd het eenvoudig: geen uitgebreide behandeling van voorbelasting nodig, alleen het basisidee dat btw belasting is op aankopen.
Prijs met btw
Voorbeeld met 21% btw:
prijs exclusief btw: €100
btw: €21
prijs inclusief btw: €121
De klant betaalt dus de prijs inclusief btw.
Noem dat in Nederland verschillende btw-tarieven bestaan, maar werk in deze les alleen met het idee van btw en een duidelijk voorbeeld.
Van afzet naar btw
De begrippen hangen samen:
afzet × verkoopprijs = omzet
omzet - inkoopwaarde van de omzet = bruto winst
Bij de verkoopprijs kan ook btw horen, die de klant betaalt en het bedrijf afdraagt.
Benadruk dat btw niet hetzelfde is als winst voor het bedrijf.
Eén volledig voorbeeld
afzet: 50 truien
verkoopprijs excl. btw: €40
omzet: 50 × €40 = €2000
inkoopkosten: €25 per trui = €1250
bruto winst: €2000 - €1250 = €750
Als je wilt verdiepen: laat mondeling zien dat de verkoopprijs incl. 21% btw dan €48,40 is, maar houd de slide zelf overzichtelijk.
Wie betaalt de btw uiteindelijk bij aankoop?
de klant
de leverancier
de winkelier
de fabrikant
Sluit aan op de uitleg dat het bedrijf btw int en afdraagt, maar dat btw niet de winst van het bedrijf is.
Alles hangt samen
Bij verkoop geldt: afzet × verkoopprijs = omzet. Daarna bereken je de bruto winst door de inkoopwaarde van de omzet van de omzet af te halen. De klant betaalt een prijs met btw, maar dat bedrag draagt het bedrijf af aan de overheid.
Integreert de laatste subtopic door de begrippen in de juiste samenhang terug te laten plaatsen.
Wat uit deze les ga jij het best onthouden?
This item has no instructions
Welk begrip vond jij het lastigst?
This item has no instructions
Hoe zeker voel jij je nu over afzet, omzet, bruto winst en btw?
This item has no instructions
Begrippenlijst
afzet - het aantal verkochte producten
omzet - het totale geldbedrag van alle verkopen samen
verkoopprijs - het bedrag waarvoor een product wordt verkocht
inkoopkosten - het bedrag dat een bedrijf betaalt om producten in te kopen
inkoopwaarde van de omzet - de inkoopkosten van de producten die verkocht zijn
bruto winst - omzet min de inkoopwaarde van de omzet
btw - belasting die boven op de prijs komt en aan de overheid wordt afgedragen
This item has no instructions