Kosten, btw en verkoopprijs (Bedrijfseconomie havo), les 1: Uitleg

Een dameskapsalon aan huis in Den Haag

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Kosten, btw en verkoopprijs

Examenstof bedrijfseconomie havo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg voor havo bedrijfseconomie over omzet berekenen, constante en variabele kosten en rekenen met btw (inclusief, exclusief, te betalen en te vorderen), met een kapsalon, fietsenmaker en coach als casus; met 6 checks.

Items in this lesson

Een dameskapsalon aan huis in Den Haag

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Kosten, btw en verkoopprijs

Examenstof bedrijfseconomie havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: F2 25.1, 25.3, 25.6-25.7. Image credit: P. van Tol / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Wat ga je kunnen?

Ik kan de omzet berekenen, constante en variabele kosten onderscheiden en rekenen met btw, te betalen btw en te vorderen btw.

This item has no instructions

Noor heeft een kapsalon. Welke woorden over geld horen bij haar zaak?

Verwachte woorden: omzet, prijs, klanten, huur, kosten, btw, winst of resultaat, materiaal. Zet ze later in de les bij omzet (blok 1), kosten (blok 2) en btw (blok 3). Syllabus 25: dienstenonderneming die soms ook producten inkoopt en verkoopt.

Een dameskapsalon aan huis in Den Haag

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Omzet bij Noor

  • Noor heeft een kapsalon en verkoopt vooral tijd: knipbeurten en behandelingen.

  • Afzet is het aantal verkochte eenheden, bijvoorbeeld 120 knipbeurten of 40 uren.

  • Verkoopprijs is de prijs per eenheid: een knipbeurt kost € 35.

  • Omzet = afzet x verkoopprijs. Bij 120 knipbeurten: 120 x € 35 = € 4.200.

Syllabus 25.1: de omzet berekenen op basis van een gegeven verkoopprijs. Bij een dienstenonderneming is de afzet vaak een aantal uren of behandelingen. Uitwerking: 120 x 35 = 4.200. Veelgemaakte fout: afzet en omzet door elkaar halen: afzet is een aantal, omzet een bedrag in euro's. Image credit: P. van Tol / Wikimedia Commons, publiek domein

Een fietsenmaker repareert een fiets

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Dirk: uren en onderdelen

  • Fietsenmaker Dirk verkoopt uren werk en soms een onderdeel, zoals een band.

  • Per soort bereken je afzet x verkoopprijs en daarna tel je de omzetten op.

  • 80 uren à € 50 is € 4.000, 25 banden à € 12 is € 300. Omzet: € 4.300.

  • Opbrengsten zijn de verkopen van de periode in euro's: hier gelijk aan de omzet.

Syllabus 25.1: dienstenonderneming die soms ook producten verkoopt. Uitwerking: 80 x 50 = 4.000; 25 x 12 = 300; totaal 4.300. In deze les is opbrengsten gelijk aan omzet; in de les Begrotingen komt het begrip opbrengsten terug in de exploitatiebegroting. Veelgemaakte fout: alleen de uren meetellen en de verkochte onderdelen vergeten. Image credit: Ibnebattutas / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Omzet, afzet en prijs

  • Weet je de omzet en de verkoopprijs, dan deel je om de afzet te vinden.

  • Omzet € 4.200 bij een verkoopprijs van € 35: afzet = 4.200 : 35 = 120 knipbeurten.

  • Verandert de verkoopprijs, dan verandert de omzet mee, ook als de afzet gelijk blijft.

  • De omzet reken je met de verkoopprijs exclusief btw. Hoe dat zit, zie je in blok 3.

Syllabus 25.1. Uitwerking: 4.200 : 35 = 120. De omzet is bedrijfseconomisch exclusief btw: het btw-bedrag is geld van de overheid, geen inkomen van de ondernemer. Veelgemaakte fout: de prijs inclusief btw gebruiken bij de omzet.

Fietsenmaker Dirk verkoopt in mei 140 uren voor € 52 per uur. Hoe hoog is zijn omzet?

A

€ 192

B

€ 88

C

€ 7.280

D

€ 728

Syllabus 25.1. Uitwerking: omzet = 140 x 52 = 7.280 (140 x 50 = 7.000 en 140 x 2 = 280). Verwachte fouten: afzet en prijs optellen (€ 192), het verschil nemen (€ 88) of een nul vergeten (€ 728).

Vul in

Wie de afzet vermenigvuldigt met de verkoopprijs, vindt de omzet van de periode.

afzet
verkoopprijs
omzet
kosten
btw

Syllabus 25.1. Verwachte fout: kosten, omdat leerlingen omzet en kosten door elkaar halen.

Werkplaats van een fietsenmaker

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Constante kosten

  • Dirk betaalt elke maand € 900 huur voor zijn werkplaats, ook in een rustige maand.

  • Constante kosten blijven gelijk, hoeveel hij ook verkoopt.

  • Voorbeelden: huur, verzekering en het abonnement op boekhoudsoftware.

  • Je rekent ze per periode, bijvoorbeeld € 900 per maand.

Syllabus 25.3: uitleggen wat de verschillen zijn tussen constante en variabele kosten. Constante kosten zijn onafhankelijk van de afzet binnen de periode. Veelgemaakte fout: denken dat constante kosten nooit veranderen; ze blijven gelijk bij een andere afzet, maar de huur kan na een jaar best omhoog. Image credit: Alextredz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Werkplek van een zelfstandige met laptop

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Variabele kosten

  • Coach Sanne geeft bij elke sessie een werkboek mee dat ze inkoopt voor € 6.

  • Variabele kosten veranderen als de afzet verandert: meer sessies, meer kosten.

  • Zijn de kosten per eenheid gelijk, dan zijn ze proportioneel variabel: dubbele afzet, dubbele kosten.

  • 40 sessies: 40 x € 6 = € 240. 80 sessies: 80 x € 6 = € 480.

Syllabus 25.3: variabele kosten en proportionele variabele kosten. In opgaven zijn de variabele kosten meestal proportioneel: een vast bedrag per eenheid. Uitwerking: 40 x 6 = 240; 80 x 6 = 480. Veelgemaakte fout: denken dat de kosten per eenheid stijgen als de afzet stijgt. Image credit: Free-Photos (Pixabay) / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Totale kosten

  • Totale kosten = constante kosten + variabele kosten.

  • Variabele kosten = afzet x variabele kosten per eenheid (als ze proportioneel variabel zijn).

  • Sanne betaalt € 400 huur en € 60 verzekering per maand: constante kosten € 460.

  • Bij 40 sessies zijn de variabele kosten € 240. Totale kosten: € 460 + € 240 = € 700.

  • De constante kosten blijven € 460, maar de totale kosten stijgen als de afzet stijgt.

Syllabus 25.3. Uitwerking: 400 + 60 = 460; 40 x 6 = 240; 460 + 240 = 700. Break-even en resultaat komen in aparte lessen aan bod; hier gaat het om het onderscheid en het optellen. Veelgemaakte fout: de constante kosten ook met de afzet vermenigvuldigen.

Welke kosten van een kapsalon zijn constante kosten?

A

De haarverf die per behandeling wordt gebruikt

B

De maandelijkse huur van het pand

C

De shampoo die ze inkoopt om door te verkopen

D

De wasserijkosten per gewassen handdoek

Syllabus 25.3. Huur blijft gelijk bij elke afzet. Haarverf, shampoo voor de verkoop en het wassen van handdoeken per klant lopen mee met het aantal klanten of verkochte producten, dus zijn variabel. Verwachte fout: shampoo, omdat leerlingen het een vaste inkoop vinden.

Vul in

De totale kosten zijn de constante kosten plus de variabele kosten van de periode.

totale kosten
variabele kosten
omzet
opbrengsten

Syllabus 25.3. Totale kosten = constante kosten + variabele kosten (dia Totale kosten). Verwachte fout: omzet invullen bij het eerste gat.

Een winkelmedewerker achter de toonbank, Haarlem

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Btw bij de verkoop

  • Btw is een belasting over de verkoop van producten en diensten.

  • De ondernemer rekent btw aan de klant en draagt die af aan de Belastingdienst.

  • Verkoopprijs exclusief btw + btw = verkoopprijs inclusief btw: dat betaalt de klant.

  • Het btw-percentage staat in de opgave. In de voorbeelden hier is het 21%.

Syllabus 25.6 en 25.7: btw. Het btw-percentage is in een opgave gegeven; leerlingen hoeven geen tarieven uit het hoofd te kennen. Veelgemaakte fout: denken dat de btw een kost of inkomen van de ondernemer is: de ondernemer int het voor de overheid. Image credit: Fotopersbureau de Boer / Wikimedia Commons, CC0

Euromunten en eurobiljetten

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Exclusief en inclusief

  • Verkoopprijs inclusief btw = verkoopprijs exclusief btw x (1 + btw-percentage).

  • Verkoopprijs exclusief btw = verkoopprijs inclusief btw : (1 + btw-percentage).

  • Knipbeurt € 35 exclusief btw: 35 x 1,21 = € 42,35 inclusief. Terug: 42,35 : 1,21 = € 35.

  • Het btw-bedrag is het percentage over de prijs exclusief btw: € 35 x 21% = € 7,35.

Syllabus 25.6 en 25.7: verkoopprijs inclusief btw berekenen uit exclusief en omgekeerd. Uitwerking: 35 x 1,21 = 42,35; 42,35 : 1,21 = 35; 35 x 0,21 = 7,35 (en 35 + 7,35 = 42,35). Veelgemaakte fout: van de prijs inclusief btw 21% aftrekken: het percentage geldt over de prijs exclusief btw, dus je deelt door 1,21. Image credit: Avij / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Te betalen en te vorderen

  • Te betalen btw is de btw die je over je verkopen aan klanten rekent en afdraagt.

  • Te vorderen btw is de btw die leveranciers jou over je inkopen rekenen en die je terugvraagt.

  • Noor: verkopen € 4.200 exclusief btw, dus 21% is € 882 te betalen btw.

  • Inkoop € 600 exclusief btw, dus € 126 te vorderen btw.

  • Af te dragen btw = te betalen min te vorderen: € 756. Is het saldo negatief, dan krijg je btw terug.

Syllabus 25.6 en 25.7: te vorderen btw en te betalen btw. Uitwerking: 4.200 x 0,21 = 882; 600 x 0,21 = 126; 882 min 126 = 756. Op de balans staat te vorderen btw bij de vlottende activa en te betalen btw bij het kort vreemd vermogen; dat komt in de les Financiële feiten en overzichten. Veelgemaakte fout: te vorderen en te betalen btw omdraaien.

Een klant betaalt € 242 inclusief 21% btw. Een leerling rekent 242 min 21% = € 191,18. Wat gaat er mis?

A

Je moet 21 euro aftrekken in plaats van 21%

B

Je moet vermenigvuldigen met 0,79 in plaats van 0,21

C

Je moet delen door 1,79

D

Je moet delen door 1,21, want 21% geldt over de prijs exclusief btw

Syllabus 25.7. Uitwerking: 242 : 1,21 = 200. De rekening 242 x 0,79 = 191,18 haalt 21% van het te grote bedrag af. Verwachte fouten: 21 euro aftrekken (dan komt er € 221 uit) of een andere verkeerde bewerking.

Vul in

Bij het btw-percentage van 21% vermenigvuldig je de prijs exclusief btw met 1,21 voor de prijs inclusief btw.

btw-percentage
exclusief
inclusief
te betalen
te vorderen

Syllabus 25.6. Verwachte fout: inclusief en exclusief omdraaien.

Welk onderdeel vond je het lastigst?

1

Omzet berekenen

2

Constante en variabele kosten

3

Prijs met en zonder btw

4

Te vorderen en te betalen btw

Gebruik de uitslag om te kiezen welk blok je nog een keer met de cijfers van Noor of Dirk doorloopt.

Welke fout maak jij het snelst met btw?

Goede antwoorden noemen: 21% aftrekken in plaats van delen door 1,21, te vorderen en te betalen omdraaien of de btw bij de omzet tellen. Gebruik ze als start van de training.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Begrippen (1/2)

  • omzet: Afzet x verkoopprijs, exclusief btw.

  • afzet: Het aantal verkochte eenheden, zoals uren of producten.

  • verkoopprijs: De prijs per verkochte eenheid.

  • opbrengsten: De verkopen van de periode in euro's.

  • constante kosten: Kosten die gelijk blijven als de afzet verandert.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTEN EN BTW

Begrippen (2/2)

  • variabele kosten: Kosten die veranderen als de afzet verandert.

  • proportionele variabele kosten: Variabele kosten met een gelijk bedrag per eenheid.

  • btw: Belasting over de verkoop, die de ondernemer afdraagt.

  • te betalen btw: Btw over je verkopen, die je afdraagt.

  • te vorderen btw: Btw over je inkopen, die je terugvraagt.

This item has no instructions