2M1 Lockdown week 3 les 1: meewerkend voorwerp

Grammatica
Meewerkend voorwerp
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Grammatica
Meewerkend voorwerp

Slide 1 - Slide

Wat is de persoonsvorm (pv) in deze zin?

Deze film hebben mijn vriendinnen mij aangeraden.
A
Deze film
B
hebben
C
mijn vriendinnen
D
mij

Slide 2 - Quiz

Wat is het onderwerp (ow) in deze zin?

Deze film hebben mijn vriendinnen mij aangeraden.
A
Deze film
B
hebben
C
mijn vriendinnen
D
mij

Slide 3 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde (wg) in deze zin?


Deze film hebben mijn vriendinnen mij aangeraden.
A
Deze film
B
hebben
C
hebben mij aangeraden
D
hebben aangeraden

Slide 4 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp (lv) in deze zin?


Deze film hebben mijn vriendinnen mij aangeraden.
A
Deze film
B
hebben
C
mijn vriendinnen
D
mij

Slide 5 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp (mv) in deze zin?


Deze film hebben mijn vriendinnen mij aangeraden.
A
Deze film
B
hebben
C
mijn vriendinnen
D
mij

Slide 6 - Quiz

Theorie

gezegde: alle werkwoorden uit de zin

onderwerp: wie (wat) + gezegde?

lijdend voorwerp: wat (wie) + gezegde + onderwerp?


meewerkend voorwerp: aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 7 - Slide

Meewerkend voorwerp

  • Aan / voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Antwoord: meewerkend voorwerp

  • Check daarna of je aan of voor kunt weglaten of toevoegen. Soms moet je hiervoor de woordvolgorde aanpassen.


Slide 8 - Slide

Op welke manier kun je de pv níet vinden in een zin?
A
de zin vragend maken
B
de zin van tijd veranderen
C
Wie/wat + ow + wg?
D
de zin van meervoud naar enkelvoud veranderen

Slide 9 - Quiz

Hoe vind je het onderwerp van een zin?
A
Wie/wat + pv?
B
Wie/wat + ow + gez?
C
Wie/wat + ow + gez + lv?
D
Aan wie/wat + ow + gez + lv

Slide 10 - Quiz

Hoe vind je het meewerkend voorwerp van een zin?
A
Wie/wat + pv?
B
Wie/wat + ow + gez?
C
Wie/wat + ow + gez + lv?
D
Aan wie/wat + ow + gez + lv

Slide 11 - Quiz

Meewerkend voorwerp

  • Ik wil aan mijn tante een grote bos bloemen geven.
  • Ik / wil / aan mijn tante / een grote bos bloemen / geven
  • wg = wil geven
  • ow = ik (Wie wil?)
  • lv = een grote bos bloemen (Wat wil ik geven? → LV

Slide 12 - Slide

Meewerkend voorwerp


  • Ik / wil / aan mijn tante / een grote bos bloemen / geven.

  • Aan wie wil ik een een grote bos bloemen geven? → aan mijn tante

  • Controle: kan ik aan weglaten? 

  • JA: Ik wil mijn tante een grote bos bloemen geven. --> meew. voorwerp

Slide 13 - Slide

Meewerkend voorwerp


  • Ik / koop/ voor mijn tante / een grote bos bloemen.

  • Voor wie wil ik een een grote bos bloemen geven? → voor mijn tante


  • JA: Ik koop voor mijn tante een grote bos bloemen. --> voor mijn tante = meew. voorwerp

Slide 14 - Slide

Let op:
  • Als een zinsdeel met aan of voor begint en het geeft een plaats / plek / locatie aan, dan is het GEEN meewerkend voorwerp.

  • Als er geen lijdend voorwerp in de zin staat, staat er meestal  GEEN meewerkend voorwerp in de zin staan.

Slide 15 - Slide

Let op:

  • Lijdend voorwerp begint NOOIT met een voorzetsel ( in, op, voor, na, bij enz)

  • Bij een meewerkend voorwerp moet aan of voor weggelaten kunnen worden (of toegevoegd).

Slide 16 - Slide

Is dit een meewerkend voorwerp?

In het vliegtuig zit hij graag [aan het gangpad].
A
ja
B
nee

Slide 17 - Quiz

Is dit een meewerkend voorwerp?

Zij koopt een cadeautje [voor haar zieke vriendin].
A
ja
B
nee

Slide 18 - Quiz

Welk woord in de zin is de persoonsvorm?
Ik fiets op mijn fiets naar school
A
fiets(1e woordje)
B
fiets (2e woordje)
C
Ik
D
school

Slide 19 - Quiz

Wat is een persoonsvorm altijd?
A
Lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 20 - Quiz

Wie heeft mijn scooter gerepareerd?

mijn scooter =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 21 - Quiz

Mijn moeder heeft mijn oma een nieuwe jas gegeven.
mijn oma =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 22 - Quiz

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wie =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 23 - Quiz

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Mijn konijn =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 24 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Mag ik u een kopje thee inschenken?

Slide 25 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Ik gaf mijn moeder een kus.

Slide 26 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Ivo gaf Mascha een klap in haar gezicht.

Slide 27 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Gisteren stond de wijkagent bij ons voor de deur.

Slide 28 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

De meester heeft Lize de moeilijke som uitgelegd.

Slide 29 - Open question