Natuurkunde HAG3 hfst 1 kracht en evenwicht

Krachten en evenwicht
1 / 40
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Krachten en evenwicht

Slide 1 - Slide


Bereken met de hefboomwet hoe groot de kracht van F is. 

Slide 2 - Open question

kracht
symbool voor kracht in de formule, denk aan het Engelse woord voor kracht!
Eenheid voor kracht en de achternaam van een beroemd persoon!
Symbool voor de eenheid van kracht

grootheid
F
Newton
N

Slide 3 - Drag question

1
2
3
Sleep het blokje 'grootste kracht' naar de juiste vector.
Let op dat je blokje 1 in blok 1 zet etc.
1: kleinste kracht.
2: kleinste kracht.
3: kleinste kracht.

Slide 4 - Drag question

Als het zwaartepunt recht boven het steunvlak staat, is het voorwerp…
A
in balans
B
uit balans
C
stabiel
D
instabiel

Slide 5 - Quiz

Hoe stugger een veer hoe ... de veerconstante
A
groter
B
kleiner

Slide 6 - Quiz

EEN FLES VALT OM (2)
Waarom valt een LEGE frisdrankfles zo snel om?
A
Het zwaartepunt zit snel naast het steunvlak.
B
Het zwaartepunt zit laag.
C
Het steunvlak is groot.
D
De zwaartekracht is groot.

Slide 7 - Quiz

Bereken de veerconstante van C
A
0,2 N/cm
B
80 N/cm
C
6,6 N/cm
D
5 N/cm

Slide 8 - Quiz

Veerkracht
Ik rekenen aan krachten die in evenwicht zijn.

Materialen:
Boek / Schrift
Pen
Rekenmachine
Laptop

Log in via lessonup.app
Code staat op whiteboard
Draai laptop nadat je de vraag hebt gemaakt
Normaalkracht
Resultante
Veerconstante
Uitrekking
Kracht die loodrecht op, of vanuit, een voorwerp werkt, zoals de kracht van een tafelblad op een fruitschaal
De optelsom van alle krachten
Eigenschap van een veer die aangeeft hoe ver de veer uitrekt, als er een kracht op wordt uitgeoefend.
De afstand waarmee de lengte van een veer toeneemt als er een kracht op wordt uitgeoefend

Slide 9 - Drag question

<span style="font-weight:bold">PLASTISCH</span>
<span style="font-weight:bold">ELASTISCH</span>
Een stuiterbal stuitert op de grond, de stuiterbal vervormt ...
Je trapt een leeg blikje drinken plat, het blikje vervormt ....
Een auto botst tegen een boom, de auto vervormt ...
Je maakt een beeld van klei, het klei vervormt ...
Je schiet een elastiekje weg, het elastiekje vervormt ...
Een drinkglas valt op de grond kapot, het glas vervormt ...

Slide 10 - Drag question

Bereken de massa van het blokje dat ze aan de linkerkant op de aangegeven plaats moet neerhangen zodat de hefboom in evenwicht is.


Slide 11 - Open question

STA JE STEVIG? (2)
Kobus gaat daarna op één been staan.
Welke uitspraak is waar?
A
Zijn steunvlak wordt hierdoor groter, waardoor hij minder stabiel staat.
B
Zijn steunvlak wordt hierdoor kleiner, waardoor hij minder stabiel staat.
C
Zijn steunvlak wordt hierdoor groter, waardoor hij stabieler staat.
D
Zijn steunvlak wordt hierdoor kleiner, waardoor hij stabieler staat.

Slide 12 - Quiz

Waar
Niet Waar
Massa en gewicht zijn hetzelfde.
Op iemand die gewichtloos is, worden geen inwerkende krachten uitgeoefend.
De normaalkracht is gelijk aan het gewicht
Hoe kleiner de veerconstante, hoe soepeler de veer
De zwaarteveldsterkte op een bepaalde plaats is afhankelijk van het volume

Slide 13 - Drag question


Hoe groot is de veerconstante van veer 2?
A
0,5 N/cm
B
1,0 N/cm
C
2,0 N /cm
D
2,5 N /cm

Slide 14 - Quiz

Met welke formule bereken je de veerconstante?
A
B
C
D

Slide 15 - Quiz

Je ziet een aatal situaties waar krachten bij betrokken zijn. Sleep de kracht naar de situatie waar die kracht voorkomt. De zwaartekracht telt niet mee.
Spierkracht
Spankracht
Magnetische kracht
Veerkracht

Slide 16 - Drag question

Het aangrijpingspunt van de pijl geeft de ........ 
aan waar de kracht wordt uitgeoefend.
De richting van de pijl geeft de ...........
aan waarin de kracht werkt.


De lengte van de pijl geeft aan hoe .......
de kracht is.
plaats
richting
groot

Slide 17 - Drag question

Fs
Fz
Fn
Fv
Fsp
Kracht van een mens of dier
Duw - of trekkracht van een veer
Aantrekkingskracht van de aarde
Kracht van een ondersteunend oppervlak
Kracht in een touw of kabel

Slide 18 - Drag question

elastische kracht
wind kracht
spier kracht
magnetische kracht
kleef kracht

Slide 19 - Drag question

Bereken L2 via
de momentenwet

Slide 20 - Open question

Wat is de formule van de momentenwet?
A
Flinks * r_links = Frechts * r_rechts
B
r_links * r_rechts = Flinks * Frechts
C
M = F * r
D
m * g = F * r

Slide 21 - Quiz

De momentenwet kan je gebruiken om een evenwicht aan te geven. Waar hangt deze wet vanaf?
A
Krachten rondom een draaipunt
B
Krachten en parallele afstand tot het draaipunt
C
Krachten op een draaipunt
D
Krachten en loodrechte afstand tot het draaipunt

Slide 22 - Quiz

Breng de hefboom in evenwicht

Slide 23 - Drag question

12 N
12,5N
13,5 N
15 N
14 N
Schaal: 1 cm = 5 N.
Lengte vector = 2,5 cm
Schaal: 1 cm = 7,5 N.
Lengte vector = 2 cm
Schaal: 1 cm = 10 N.
Lengte vector = 1,2 cm
Schaal: 1 cm = 3 N.
Lengte vector = 4,5 cm
Schaal: 1 cm = 2 N.
Lengte vector = 7 cm

Slide 24 - Drag question

Op welke plaats grijpt de zwaartekracht aan?

Slide 25 - Open question

Wat heeft een hefboom?

Slide 26 - Drag question

De kat hiernaast heeft een massa van 6,5 kg. Hoe groot is de zwaartekracht?

Slide 27 - Open question

Wat is de zwaartekracht van iemand van 67 kg op de maan?

Slide 28 - Open question

De massa van het meisje is 73 kg, wat is de normaalkracht?

Slide 29 - Open question

Bereken de nettokracht op de scooter.

Slide 30 - Open question

Wat is er aan de hand als de nettokracht 0N is?

Slide 31 - Open question

In het figuur hiernaast zie je een hefboom hefboom. De hefboom moet in evenwicht worden gebracht.

Schrijf op hoeveel gewichtjes je daarvoor aan het lege haakje moet hangen.


Slide 32 - Open question

De hefboom is niet in evenwicht. Door er rechts één blokje bij te hangen kan de hefboom in evenwicht worden gebracht. In welk gaatje moet dit blokje rechts worden gehangen?

Slide 33 - Open question

<span style="color:rgb(0, 0, 0)">naald</span>
<span style="color:rgb(0, 0, 0);font-weight:bold">Vrachtwagen</span>
<span style="color:rgb(255, 255, 255)">Geldt voor beide voorbeelden</span>
p = F/A
Door de grote oppervlakte verlaagt de druk
Er is weinig kracht nodig voor een grote druk
verkleinde druk
Vergrote druk
Eenheid is Pa

Slide 34 - Drag question

Bereken de druk op het oppervlak als er 45 kg op 0,3 m2 werkt.

Slide 35 - Open question


Mathijs hijst een kast met een massa van 62 kg met een katrol 2,5 meter omhoog. Hoe groot is zijn spierkracht en hoeveel meter touw heeft hij nodig?

Slide 36 - Open question

Massa
Gewicht
Is het massa of gewicht?
150 N
25 gram
m
Fz
8 kilogram
4,6 kg

Slide 37 - Drag question

Op een oppervlakte van 4 m² werkt een kracht van 100 N.
Bereken de druk.

Slide 38 - Open question

Een mes heeft een oppervlakte van 0,05 cm^2. Er wordt een kracht van 150 N op uitgeoefend. Bereken de druk.

Slide 39 - Open question

Bereken de druk in Pa die het blok (massa = 12kg) uitoefent op de ondergrond.

Slide 40 - Open question