This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slide.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Leerjaar 2 - Periode 1 - VMBO-BK
H5 Kracht en Beweging
Oefentoets H5.1, H5.2 en 5.3
Slide 1 - Slide
Welke kracht gebruikt deze oma om dit te kunnen?
A
Magnetische kracht
B
Spierkracht
C
Wrijvingskracht
D
Veerkracht
Slide 2 - Quiz
Een kracht die werkt in dezelfde richting van de beweging van een voorwerp zal waarschijnlijk?
A
versnellen
B
remmen
C
van richting veranderen
D
vervormen
Slide 3 - Quiz
Een kracht die werkt in tegengestelde richting van de beweging van een voorwerp zal waarschijnlijk?
A
versnellen
B
remmen
C
van richting veranderen
D
vervormen
Slide 4 - Quiz
Welke kracht gebruik je bij het optillen van een grote steen?
A
Magnetische kracht
B
Spierkracht
C
Wrijvingskracht
D
Veerkracht
Slide 5 - Quiz
Welke kracht zorgt ervoor dat het blokje op de plank kan blijven liggen?
A
Magnetische kracht
B
Spierkracht
C
Wrijvingskracht
D
Veerkracht
Slide 6 - Quiz
Welk plaatje is een veerunster?
A
B
C
D
Slide 7 - Quiz
Welke kracht werkt er op de veer in een unster (krachtmeter)?
A
Magnetische kracht
B
Spierkracht
C
Wrijvingskracht
D
Veerkracht
Slide 8 - Quiz
Op een afvalverwerkingsbedrijf sorteren ze het ijzer met een elektro magneet, met welke kracht tilt de kraan het ijzer op?
A
Magnetische kracht
B
Spierkracht
C
Wrijvingskracht
D
Veerkracht
Slide 9 - Quiz
Welk gevolg van kracht op de bal zie je hiernaast op de afbeelding bij het koppen van een bal?
A
versnellen
B
remmen
C
van richting veranderen
D
vervormen
Slide 10 - Quiz
Welke kracht zorgt ervoor dat een bal die op de grond stuitert en na verloop van tijd tot stilstand komt?
A
Zwaartekracht
B
Wrijvingskracht
C
Magnetische kracht
D
Veerkracht
Slide 11 - Quiz
Lars trapt een voetbal over het grasveld. Wat is het gevolg van de krachten op de bal zodra hij de schoen verlaat?
A
versnellen
B
remmen
C
van richting veranderen
D
vervormen
Slide 12 - Quiz
Nina gooit een bal ver weg. Wat is het gevolg van de krachten op de bal door de wrijving met de lucht, waardoor de bal steeds langzamer gaat en naar beneden valt?
A
versnellen
B
remmen
C
van richting veranderen
D
vervormen
Slide 13 - Quiz
Sara knijpt (spierkracht) met haar hand in een blikje. Wat is het gevolg van de krachten op het blikje als ze begint met knijpen?
A
versnellen
B
remmen
C
van richting veranderen
D
vervormen
Slide 14 - Quiz
Bij touwtrekken trekken beide teams met een kracht van 1000 Newton, wat gebeurt er met het touw?
A
Het touw beweegt naar het sterkste team
B
Het touw blijft in het midden en beweegt niet
C
Het touw beweegt naar het zwakste team
D
Het touw breekt door de krachten van beide teams
Slide 15 - Quiz
Bij touwtrekken trekken beide teams (4 man) met een kracht van 1000 Newton.
Hoeveel kracht oefent 1 persoon op het touw uit?
A
1000 : 4 = 250 Newton
B
2000 : 4 = 500 Newton
C
1000 Newton
D
1000 : 8 = 125 Newton
Slide 16 - Quiz
Bij touwtrekken trek team A met een kracht van 1000 Newton en team B met een kracht van 1500 Newton.
Welke team wint?
A
Team A
B
Team B
C
Geen van beide
Slide 17 - Quiz
Doordat beide teams even hard trekken blijft het touw stil staan.
Wanneer gaat het touw wel bewegen?
A
Als beide teams tegelijkertijd harder gaan trekken
B
Als het touw langer is en de teams verder uit elkaar staan
C
Als één team plotseling stopt met trekken of als het touw breekt
D
Als beide teams even sterk blijven trekken
Slide 18 - Quiz
Als je veel wrijvingskracht hebt en je drukt toch door, zoals bij het langer wrijven in je handen.
Wat is het gevolg hiervan?
A
De wrijvingskracht zorgt voor afkoelen
B
De wrijvingskracht zorgt voor warmte
C
Door wrijvingskracht wordt iets magnetisch
D
Er gebeurt niets
Slide 19 - Quiz
De auto in het plaatje is zwaar beladen, hierdoor heeft deze een grotere wrijvingskracht op de weg?
A
JUIST
B
ONJUIST
Slide 20 - Quiz
Als ik met een auto sneller ga rijden dan wordt de lucht weerstand en wrijvingkracht groter. Hierdoor verbruikt een auto meer brandstof?
A
JUIST
B
ONJUIST
Slide 21 - Quiz
Wat is massa?
A
de hoeveelheid g (gram) of kg (kilogram) van een voorwerp
B
de kracht waarmee iets op de grond duwt in Newton
Slide 22 - Quiz
Hoveel gram zit er in 1 kilogram?
A
1000 gram
B
100 gram
C
1 gram
D
weet ik niet
Slide 23 - Quiz
Hoeveel kilogram is 1500 gram?
A
15 kg
B
1500 kg
C
1,5 kg
D
weet ik niet
Slide 24 - Quiz
Wat is gewicht?
A
de hoeveelheid g (gram) of kg (kilogram) van een voorwerp
B
de kracht waarmee iets op de grond duwt in Newton
Slide 25 - Quiz
Een pak suiker weegt 1000 gram.
Hoe groot is het gewicht van het pak suiker?
(let op! omrekenen naar kilogram)
A
1 Newton
B
100 Newton
C
10 Newton
D
1000 Newton
Slide 26 - Quiz
Een tafel weegt 50 kg.
Hoe groot is het gewicht van de tafel?
A
500 Newton
B
50 Newton
C
100 Newton
D
5000 Newton
Slide 27 - Quiz
Gewicht is een kracht. Gewicht meet je dus in newton. Als je de massa van een voorwerp in gram of kilogram kent, kun je daarmee het gewicht van een voorwerp uitrekenen.
Daarvoor gebruik je de volgende formule:
A
gewicht = massa in kilogram : 10
B
gewicht = massa in kilogram x 100
C
gewicht = massa in kilogram + 10
D
gewicht = massa in kilogram x 10
Slide 28 - Quiz
Je hebt een kast gemaakt, maar hij wiebelt een beetje. Je maakt de kast steviger door een driehoek aan de achterkant te zetten.
Waarom maakt de driehoek de kast steviger?
A
De driehoek verdeelt de krachten beter
B
De driehoek maakt de kast lichter
C
De driehoek zorgt ervoor dat de kast er mooier uitziet
D
De kast is niet steviger geworden
Slide 29 - Quiz
Op een boerderij staan twee hooibalen op kruiwagens. Sarah duwt een kruiwagen met één wiel en Jan duwt een kruiwagen met twee wielen. (De hooibalen zijn even zwaar)
Wat is waar?
A
De kracht op Sarah’s wiel is groter dan op Jan’s wielen
B
De kracht op Jan’s wielen is groter dan op Sarah’s wiel.
C
De kracht op beide kruiwagens is gelijk
D
De kracht hangt af van hoe snel ze duwen
Slide 30 - Quiz
De kracht waarmee iets op de grond duwt, noem je gewicht.
Wat is de eenheid?
A
Gewicht
B
Kilogram
C
Newton
D
Massa
Slide 31 - Quiz
Marieke tennist. Ze holt op de bal af, stopt en slaat de bal terug.
Wat doen de verschillende krachten?
(Sleep de zin naar het juiste woord)
Remmen
Van richting veranderen
Versnellen
Vervormen
Wrijvingskracht onder de schoenen laat Marieke
Kracht van racket op de bal laat de bal
Kracht van bal op de snaren van het racket doet de snaren
Spierkracht van je arm op het racket laat het racket
Slide 32 - Drag question
De massa van een voorwerp is 2500 gram
Wat is het gewicht?
A
2500 N
B
2,5 N
C
25 N
D
250 N
Slide 33 - Quiz
Hoe groot is het gewicht van een vrachtwagen van 10 000 kg?
A
10000Kg
B
100000N
C
100000gram
D
1000 N
Slide 34 - Quiz
Wat is de afkorting van “meter per seconde”?
A
m/p/s
B
mps
C
m/s
D
ms
Slide 35 - Quiz
Een raceauto rijdt 300 km in 1 uur. Wat is zijn snelheid?
A
3 km/h
B
30 km/h
C
300 km/h
D
3000 km/h
Slide 36 - Quiz
Waar staat de h voor in “km/h”?
A
hoofdpijn
B
hour
C
hoog
D
seconde
Slide 37 - Quiz
Een fietser rijdt met een snelheid van 6 meter per seconde. Wat betekent dat?
A
De fietser legt 6 meter
af in 1 seconde.
B
De fietser legt 1 meter
af in 6 seconden.
C
De fietser legt 6 kilometer
af in 1 uur.
D
De fietser rijdt 6 meter in 10 seconden.
Slide 38 - Quiz
Wat is Snelheid?
A
Iets wordt heel snel warm
B
De tijd die het duurt als je op de snelweg rijdt
C
De afstand die je aflegt
D
De afstand die je in een bepaalde tijd aflegt
Slide 39 - Quiz
Op een stuk spoorweg van 5 km is de maximum snelheid 130 km/uur. Machinist Jan legt dit stuk spoorweg af in een tijd van 2 minuten.