1. Rode bloedcellen hebben een eiwit genaamd hemoglobine waaraan zuurstof (O2) kan binden.
2. Fibrinogeen zit in bloedplaatjes en zorgt voor de bloedstolling. Fibrinogeen zorgt ervoor dat bloedcellen aan het fibrinogeen plakt en een propje vormt dat de wond dicht.
3. Dikke spierwand, hoge druk, diep in het lichaam, van het hart af
4. Aderen hebben een lage druk, kleppen zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen.