Les 31 5 juni 2026 (VO1)

Les 31 5 juni 2026
1 / 42
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary Education

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 31 5 juni 2026

Slide 1 - Slide

L31 Wat doen we vandaag? 

Welkom! 

1. Thema Helden, paragraaf 2: interview: open en gesloten vragen.   
2. Deels herhalen cursus 5 (Spelling)
3. Deels herhalen cursus 6 (Formuleren)
4. Afsluiting

Slide 2 - Slide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Interview = vraaggesprek
Gesprek tussen twee of meer personen, waarbij één persoon meestal de vragen stelt en de ander antwoord geeft. 
  • beeld (YouTube, televisie,...)
  • geluid (Podcast, radio,...)
  • geschreven (krant, tijdschrift)

Het verschilt per nieuwssoort welke mensen interessant zijn om te interviewen. 


Slide 5 - Slide


Soorten vragen

Slide 6 - Slide

Soorten vragen
  • gesloten vraag (vaak een ja/nee-antwoord, kort. Begint vaak met persoonsvorm)
  • open vraag (vrij antwoord: begint vaak met 'hoe', 'waarom', 'wat')
  • vervolgvraag
  • controlevraag (dus je bedoelt.../als ik het goed begrijp zeg je...)



Slide 7 - Slide

Heb jij wel eens stiekem gerookt?
A
open vraag
B
gesloten vraag

Slide 8 - Quiz

Hoe laat ben je geboren?
A
open vraag
B
gesloten vraag

Slide 9 - Quiz

Wie is jouw held?
A
open vraag
B
gesloten vraag

Slide 10 - Quiz

Waarom is hij je held?
A
open vraag
B
gesloten vraag
C
vervolgvraag
D
controlevraag

Slide 11 - Quiz

Was je gisteren al om 12:00 uur vrij?
A
open vraag
B
gesloten vraag
C
vervolgvraag
D
controlevraag

Slide 12 - Quiz

Dus je bedoelt dat je zijn liedjes heel mooi vindt?
A
open vraag
B
gesloten vraag
C
vervolgvraag
D
controlevraag

Slide 13 - Quiz

Open maken
Je kunt van gesloten vragen ook open vragen maken, kijk maar:

Gesloten vraag: 
Gaat het goed met u? (Alles goed?)

Open vraag:
Hoe gaat het met u? (Hoe gaat het?)

Slide 14 - Slide

Maak van de volgende vraag een open vraag.

Vind je de nieuwste iPhone mooi?
timer
0:45

Slide 15 - Open question

Maak van de volgende vraag een open vraag.

Heb je gezien wat er zojuist bij de rotonde is gebeurd?
timer
0:45

Slide 16 - Open question

herhalen cursus 5 (Spelling)

Slide 17 - Slide

Hoe zat het ook alweer met: 
meervoud?

Slide 18 - Slide

meervoud van idee
A
ideën
B
ideeën
C
ideëen

Slide 19 - Quiz

Woorden op ee of ie
Als het enkelvoud eindigt op ee of op een ie zet je 
ën achter het enkelvoud:
MAAR: de klemtoon moet dan wel op de laatste lettergeep liggen.
knie - knieën             MAAR          porie - poriën
idee - ideeën             MAAR          bacterie  - bacteriën
slee - sleeën              MAAR          kolonie  - koloniën

Slide 20 - Slide

meervoud van categorie
A
categorieën
B
categoriën
C
categories

Slide 21 - Quiz

meervoud van kalf
A
kalfen
B
kalven
C
kalveren
D
heeft geen meervoud

Slide 22 - Quiz

Meervoud op: -en, -s of -eren
  •  verdubbel de laatste letter:                zak - zakken,       bal - ballen
nb. Bij een korte klinker waarop een klemtoon ligt. Niet bij bv. dreumesen

  • laat een a, e, o, of u weg:                       aap - apen, uur - uren 
  • voeg -eren toe :                                         kind - kinderen                                                                                                                             blad - bladeren (van bomen)
  • voeg een -s toe:                                        appels, klamboes

 

Slide 23 - Slide

meervoud van ski
A
skies
B
skis
C
ski's

Slide 24 - Quiz

Woorden de eindigen op:
o       u      i       a    y
schrijf een apostrof + s: 


               
oma  - oma' s                       maar:  douche  - douches
radio - radio' s                                   spray - sprays
ski - ski' s                                             Let dus op de uitspraak!!!!!
menu - menu' s
baby - baby' s                                    omas of oma's
                                                                 kiwis of kiwi's

                    

Slide 25 - Slide

herhalen cursus 6 (Formuleren)

Slide 26 - Slide

Hoe zat het ook alweer met: 
trappen van vergelijking?

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Welke woorden in de overtreffende trap zijn goed gespeld?
A
Weinigst (weinig)
B
verastst (verast)
C
meest fantastisch (fantastisch)
D
radeloosst (radeloos)

Slide 29 - Quiz

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Is deze zin goed? "Jan is even oud dan ik"
A
Ja
B
Nee

Slide 32 - Quiz

Als of dan?
Als
Dan
Na de stellende trap

Na de vergrotende trap

Net zo lief als zij (is).
Hij is groter dan ik (ben).
Twee keer zo groot als hij.

Slide 33 - Slide

Veel leerlingen werken liever alleen ...... in een groepje.
A
als
B
dan

Slide 34 - Quiz

Shirley beweert dat Apeldoorn niet half zo groot is ..... Amsterdam.
A
als
B
dan

Slide 35 - Quiz

Hoe zat het ook alweer met: 
"hun" en "hen"?

Slide 36 - Slide

HUN en HEN 
Wanneer gebruik je 'hun', en wanneer 'hen' of 'ze' of 'zij'? 
Let op: 'hun' is nooit een onderwerp.  Het is niet "Hun hebben plezier".

'Hun' wordt gebruikt als bezittelijk voornaamwoord. 
"Dit is hun huis".  hun auto, hun paarden, etc. 

En hoe verder? Let op: heel vroeger werd 'hun' en 'hen' vaak door elkaar gehaald. Daar heeft  Christiaen van Heule in de 17e eeuw een stokje voor gestoken... 

Slide 37 - Slide

Lastige verwijswoorden
Hen of hun?


Slide 38 - Slide

Vul aan:
Hij schonk ___ een kopje koffie in.
A
hen
B
hun

Slide 39 - Quiz

Vul aan:
De tranen sprongen ___ in de ogen.
A
hun
B
hen
C
bij hun
D
bij hen

Slide 40 - Quiz

Lesafsluiting
Volgende les gaan we naar de dierentuin. Jullie huiswerk voor deze week is: 

 Het huiswerk voor volgende week is: 
▪ Lees in je leesboek   
▪ Thema Helden, paragraaf 2: Maak opdracht 4. 
▪ Thema Helden, paragraaf 3. Maak opdracht 1 en 2. 
 


 

 

Tot volgende week op st Conleth's


  
  

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Video