B1 Enzymen

1 / 38
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Wat weet je al over voeding en vertering?
Maak de opdr. 1 t/m 4 op blz 8 + 9

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Slide 5 - Video

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Nu zelf aan de slag!
  • Aan de slag.
  • Maak opdracht 1 t/m 3 + 5 + 7 van B1
  • Klaar? Lees basisstof 2

Na 20 minuten bespreken we de opgaven!
timer
20:00

Slide 22 - Slide

Enzymen worden tijdens de reactie verbruikt.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 23 - Quiz

Wat is waar over enzymen?
A
Enzymen zijn niet afhankelijk van de zuurgraad
B
Enzymen zijn afhankelijk van de temperatuur
C
Enzymen zijn niet specifiek
D
Enzymen moet je eten

Slide 24 - Quiz

Waar zijn enzymen van gemaakt?
A
Vet
B
Zetmeel
C
Eiwitten
D
Koolhydraten

Slide 25 - Quiz

Wat is de functie van enzymen?
A
Zorgen dat voedsel makkelijk door kan worden gegeven.
B
Het kleiner maken van voedingsstoffen, zodat ze kunnen worden opgenomen.

Slide 26 - Quiz

pH- waarde 1
pH-waarde 14
pH-waarde 7
Zeer sterk zuur
Neutrale oplossing
Zeer sterk basisch

Slide 27 - Drag question

Sleep de termen naar de juiste plaats in de tolerantiecurve en benoem de assen
minimum
optimum
maximum
abiotische factor
aantal individuen

Slide 28 - Drag question

Hoeveel enzymen werken er bij een pH van 5?
A
Enzym 1
B
Enzym 2
C
Enzym 3
D
Geen een

Slide 29 - Quiz

Vraag 1: Wat is de maximumtemperatuur?
Vraag 2: Wat is de optimumtemperatuur?
A
1. 35 graden 2. 10 graden
B
1. 35 graden 2. 50 graden
C
1. 50 graden 2. 10 graden
D
1. 50 graden 2.35 graden

Slide 30 - Quiz

Wat is geen klacht van voedselvergiftiging?
A
Braken
B
Diarree
C
Koorts
D
Uitdroging

Slide 31 - Quiz

Wat betekend conserveren?
A
Wen product zo behandelen dat het minder snel bederft.
B
Een product is lang houdbaar.
C
Een product is over de datum.
D
Een product is kort houdbaar.

Slide 32 - Quiz

Je kunt voedsel op verschillende manieren conserveren. Welke manier zie je hier afgebeeld?
A
Gasverpakt
B
Conserveermiddel toegevoegd
C
Droog
D
gesteriliseerd

Slide 33 - Quiz

Welke manier van conserveren zie je hier?
A
Drogen
B
Steriliseren
C
Pasteuriseren
D
luchtdicht verpakken

Slide 34 - Quiz

Welke manier van conserveren zie je hier?
Deze melk staat buiten de koeling
A
Drogen
B
Steriliseren
C
Pasteuriseren
D
luchtdicht verpakken

Slide 35 - Quiz

Welke manier van conserveren zie je hier?
A
Drogen
B
Steriliseren
C
Pasteuriseren
D
Luchtdicht verpakken

Slide 36 - Quiz

Wat voor manier van conserveren is hier gebruikt?
A
Drogen
B
Verhitten
C
Koelen
D
Luchtdicht verpakken

Slide 37 - Quiz

Welke manier van conserveren zie je hier (2 antwoorden)?
A
Koelen
B
Steriliseren
C
Pasteuriseren
D
Luchtdicht verpakken

Slide 38 - Quiz