26BBL Assisteren bij activiteiten (deel 2)





19 t/m blz. 36

Assisteren bij dagbesteding en welbevinden

1 / 24
next
Slide 1: Slide
New lesson editorVerzorgingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 24 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min
Report this lesson

Items in this lesson





19 t/m blz. 36

Assisteren bij dagbesteding en welbevinden


5.11 Het doel

  • Stimuleren van de ontwikkeling

    • Motorische (grove, fijne en sensomotorische motoriek)

    • Verstandelijke/cognitieve (proces)

    • Sociale

  • Zintuigen

  • Recreatief

  • Educatief (ontwikkeling kennis en gedrag)

  • Geheugen trainen (gekoppeld aan zintuigen)

  • Stimuleren zelfredzaamheid

  • Veranderen gedrag

    • Tijdelijk

    • langdurig

Uitgangspunten:

Groepsopdracht




  • Opdracht 15 (blz. 20) -> in een groepje uitwerken en presenteren

5.12 Stimuleren van de ontwikkeling

  • Doel: Cliënt zelfstandiger maken  grotere eigenwaarde


  • GESPREK over zelfstandig functioneren -> eigen ervaring


Stimuleren doe je op verschillende vlakken -> motorisch (grove,fijne, sensomotoriek) – verstandelijk / cognitief - sociaal



5.13 Zintuigen en het geheugen

  • * Gehoor: muziek maken of luisteren, zin door fluisteren, zingen

  • * Zien: fotograferen, kunst bekijken, fotoboek bekijken

  • * Ruiken / proeven: iets koken of bakken, geuren raden

  • * Tastzin: voeldoos, knutselen, met water


  • Een ervaring wordt groter als er meerdere zintuigen aangesproken worden.

Geheugen

  • Herinneringen worden opgeslagen in het geheugen


  • * Kortetermijngeheugen: enkele seconden

  • * Middellangetermijngeheugen: tijdelijk vasthouden van informatie

  • * Langetermijngeheugen: levenslang

5.14 Motorische ontwikkeling

  • Doel: bewegen en leren bewegen


  • * Grove motoriek: grote bewegingen, zwaaien, lopen, rollen, kruipen


  • * Fijne motoriek: vraagt meer aandacht / kleinere bewegingen, schrijven,

  • tekenen, veters strikken / start op de basisschool


  • * Sensomotorische ontwikkeling: zintuigen en de motoriek samen, zoals bal

  • vangen en afstand inschatten, voelen bij het oppakken van iets

5.15 Verstandelijke of cognitieve ontwikkeling

  • = Het proces van leren (opdoen, verwerken, opslaan en toepassen van kennis)


  • Educatief -> meer aandacht voor de inhoud

5.16 Sociale ontwikkeling

  • = Aanleren van sociale vaardigheden -> belangrijk voor de identiteitsontwikkeling

  • Bewust worden van opvattingen, gevoelens, wensen en gedachten bij zichzelf en bij anderen

  • Contact maken en vriendschappen ondergaan en onderhouden


  • Voorbeelden?

5.17 Activiteiten met een recreatief doel

  • Doel: ontspanning en plezier hebben (lichaam en geest komen tot rust) = vrijetijdsbesteding


  • Voorbeelden?

5.18 Activiteiten met een educatief doel


  • Doel: deelnemers leren iets, feiten of gedrag



  • Voorbeelden?

5.19 Activiteiten voor het trainen van geheugen

  • Het geheugen wordt vaak minder goed als mensen ouder worden.

  • Bij dementerenden worden herinneringen niet goed opgeslagen.

  • Kortetermijngeheugen gaat eerder achteruit.


  • Gebruik van zintuigen -> versterkt


Reminiscentie



Viervoeters en de zorg



Welke doelen heb je kunnen ontdekken?



Kunnen mensen met dementie nog leren?




Welk doel herken je?


5.20 Activiteiten voor het stimuleren van de zelfredzaamheid



  • VOORBEELDEN uit de OUDERENZORG???

5.21 Activiteiten voor het veranderen van het gedrag

  • Tijdelijk


  • Langdurig --> of zelfs definitief (5.22)



Wat voor afwijkend gedrag wat je op je werk ziet zou aangepakt kunnen worden?



Doel: Veranderen van gedrag




5.23 SMART formuleren van doelen




  • Blz. 36



  • Specifiek -> duidelijk en concreet

  • Meetbaar -> resultaat

  • Acceptabel -> voor de cliënt

  • Realistisch -> haalbaar

  • Tijdsgebonden -> tijd


5.24 ACTIVITEITENPLAN

  • = Werkplan


  • De zes W-vragen -> in het boek hebben ze het over “vijf-W-vragen”

  • Wat gebeurt er?

  • Wanneer gebeurt het?

  • Wie is de doelgroep?

  • Wat is het doel van de activiteit?

  • Waar gebeurt het?

  • Welke middelen en materialen heb je nodig?

5.25 EVALUEREN VAN DE ACTIVITEIT

  • = Terugkijken


  • Model van Korthagen  cyclisch

  • 1. Doen

  • 2. Terugkijken

  • 3. Bewustwording

  • 4. Bijstellen / aanpassen

  • 5. Toepassen