Exogene processen en kringlopen (Aardrijkskunde vwo), les 2: Examentraining

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Examentraining

Exogene processen en kringlopen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorAardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining: stroomgebieden vergelijken, landvormen verklaren, kringlopen relateren en gesteenten herkennen op foto's.

Items in this lesson

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Examentraining

Exogene processen en kringlopen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Luca Galuzzi / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.5

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan stroomgebieden vergelijken, landvormen verklaren met exogene processen, kringlopen aan elkaar relateren en gesteenten herkennen op foto's.

This item has no instructions

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat voor vraag is het? Beschrijf, vergelijk, verklaar of beredeneer

  • 2. Kijk: wat laat de bron zien? Klimaat, vegetatie, helling, korrelgrootte, kleur

  • 3. Koppel: welk proces hoort erbij? Verwering, erosie, transport, sedimentatie

  • 4. Schrijf: een keten van oorzaak naar gevolg, met de begrippen uit de syllabus

This item has no instructions

Puinwaaier en puinhellingen aan de voet van een berg in Ladakh (India), 2007

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 1: stroomgebieden vergelijken

  • Je vergelijkt een stroomgebied in de gematigde en in de aride zone en verklaart het verschil

  • Werk per proces: verwering, vasthouden door vegetatie, afvoer, transport en sedimentatie

  • Noem bij een verschil altijd de oorzaak: klimaat en begroeiing

Image credit: Vyacheslav Argenberg / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

Waarom voert een aride rivier na een bui meer grof puin af dan de Rijn?

A

Er is meer chemische verwering in de woestijn

B

Er valt in de woestijn meer neerslag per jaar

C

Het getij voert daar het fijne materiaal weg

D

Weinig vegetatie houdt het puin niet vast

In de aride zone wordt verweringsmateriaal door gebrek aan vegetatie minder goed vastgehouden. Mechanische verwering levert grof materiaal, dat een zeldzame stortbui in één keer meeneemt. Verwachte fout: meer chemische verwering, terwijl in de aride zone juist mechanische verwering overheerst.

Leg uit waarom de afvoer in een aride stroomgebied zo onregelmatig is.

Goed antwoord: er valt weinig en onregelmatig neerslag, meestal in korte, hevige buien. Er is weinig vegetatie en bodem om water vast te houden, dus het water stroomt snel af en de rivier staat daarna weer (bijna) droog. Verwachte fout: alleen 'het regent weinig' zonder de hevige buien en het snelle afstromen te noemen.

Zijmorene van de Glacier d'Arsine (Franse Alpen), 2006

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 2: landvormen verklaren

  • Je krijgt een foto of kaart van een landvorm en verklaart hoe die is ontstaan

  • Kijk naar de korrelgrootte en sortering: dat verraadt het transportmechanisme

  • Noem het proces en de omstandigheid: stroomsnelheid, ijs, zwaartekracht, getij

Image credit: Rémih / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Aan de voet van een rotswand ligt een helling van hoekige stenen. Wat is het?

A

Een puinhelling door massabeweging

B

Een puinwaaier door een bergbeek

C

Een morene door een gletsjer

D

Een delta door een rivier

Hoekige stenen aan de voet van een wand zijn losgevroren en door de zwaartekracht naar beneden gevallen: een puinhelling (massabeweging). Een puinwaaier heeft een geul en een waaiervorm, een morene is ongesorteerd materiaal van een gletsjer. Verwachte fout: puinwaaier.

Leg uit waarom de Westerschelde een estuarium is en geen delta.

Goed antwoord: eb en vloed zijn in de Westerschelde sterk; het getij voert sediment weer weg en houdt de monding trechtervormig open. Bij een delta zet de rivier meer af dan de zee kan weghalen, waardoor de kust aangroeit. Verwachte fout: alleen 'het is een zeearm' zonder de rol van het getij en de balans tussen aanvoer en afvoer van sediment.

Grand Canyon (Arizona, VS), uitgesleten door de Colorado, 2007

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 3: kringlopen relateren

  • Je legt een keten tussen endogene processen, exogene processen en de kringlopen

  • Opbouw door plaatbewegingen, afbraak door water, ijs en wind, afzetting in laagland of zee

  • Noem ook de schaal: de gesteentekringloop duurt miljoenen jaren, een regenbui uren

Image credit: Luca Galuzzi / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.5

Zet de gesteentekringloop op volgorde, vanaf een gebergte

1

Druk en warmte zetten het om tot metamorf

2

Plaatbotsing heft een gebergte op

3

Rivieren voeren het materiaal naar zee

4

Verwering breekt het gesteente af

5

Lagen sediment verharden tot gesteente

Opbouw (endogeen), verwering en transport (exogeen, hydrologische kringloop), sedimentatie en verharding, metamorfose diep in de korst. Verwachte fout: verharding tot gesteente vóór het transport zetten.

Waarom blijft er na miljoenen jaren toch gebergte over, ondanks erosie?

A

Exogene processen bouwen het gebergte weer op

B

Verwering maakt het gesteente steeds harder

C

Endogene processen heffen het gebied steeds op

D

De hydrologische kringloop voert puin terug

Veranderingen van het aardoppervlak ontstaan door de opbouwende werking van endogene processen en de afbrekende werking van exogene processen. Zolang opheffing doorgaat, blijft er gebergte. Verwachte fout: denken dat exogene processen ook opbouwen.

Door oplossing aangetast kalksteen aan de kust van Mallorca, 2009

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Vraagtype 4: gesteenten herkennen

  • Je krijgt een foto van een gesteente en bepaalt soort en ontstaanswijze

  • Let op kleur, kristallen, gelaagdheid en fossielen

  • Koppel het kenmerk aan het ontstaan: grote kristallen betekent langzaam gestold

Image credit: Frank Vincentz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Een licht gesteente heeft lagen en schelpfossielen. Welk gesteente is het?

A

Graniet, een stollingsgesteente

B

Marmer, een metamorf gesteente

C

Kalksteen, een sedimentgesteente

D

Basalt, een stollingsgesteente

Gelaagdheid en fossielen wijzen op een sedimentgesteente; licht met schelpen past bij kalksteen. Marmer is ook licht, maar bij de omzetting zijn de fossielen verdwenen. Verwachte fout: marmer.

Graniet heeft grote kristallen, basalt kleine. Verklaar dit verschil.

Goed antwoord: graniet is diep in de korst langzaam afgekoeld, waardoor kristallen de tijd kregen om groot te groeien. Basalt is aan het oppervlak als lava snel gestold, waardoor alleen kleine kristallen konden ontstaan. Verwachte fout: het verschil verklaren met de kleur of met druk in plaats van met de snelheid van afkoelen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Stroomgebieden vergelijken

2

Landvormen verklaren

3

Kringlopen relateren

4

Gesteenten herkennen

Bespreek het meest gekozen vraagtype nog een keer met een examenvraag uit een oud examen.

AARDE · EXOGENE PROCESSEN

Tips voor op het examen

  • Verwering gebeurt ter plekke, erosie haalt weg: gebruik de twee woorden niet door elkaar

  • Koppel korrelgrootte altijd aan stroomsnelheid of transportmechanisme

  • Ongesorteerd materiaal wijst op ijs, gesorteerd op water of wind

  • Vergelijk stroomgebieden per proces en noem klimaat en vegetatie als oorzaak

  • Endogeen bouwt op, exogeen breekt af: noem ze allebei in een kringloopvraag

This item has no instructions