13.7 Transplantaties en bloedtransfusies

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 13.7 blz. 148
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen
1 / 21
next
Slide 1: Slide
BiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 21 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 13.7 blz. 148
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt beschrijven hoe antistoffen bescherming bieden tegen infecties en op welke manieren immuniteit kan ontstaan.
  • Je kunt omschrijven hoe stoffen een allergische reactie kunnen veroorzaken.

Slide 2 - Slide

13.7 Transplantaties en bloedtransfusies
Thema 13 Transport en afweer

Slide 3 - Slide

Leerdoelen 13.7
  • Je kunt de problemen beschrijven die het afweersysteem veroorzaakt bij transplantaties en auto-immuunziekten.
  • Je kunt de rol van bloedfactoren bij bloedtransfusies en de rol van de resusfactor bij zwangerschap beschrijven.

Slide 4 - Slide

Transplantatie
  • Bij een transplantatie wordt een aangetast weefsel of orgaan vervangen door een ander weefsel of orgaan.
  • Dit bij bij voorkeur van de patiënt zelf afkomstig of van een verwant persoon.
  • Een weefsel of orgaan van een donor kan zorgen voor een afstotingsreactie. Deze reactie ontstaat door eiwitten op de cellen van het getransplanteerde weefsel of orgaan.
  • De eiwitten worden door het afweersysteem van het lichaam herkend als lichaamsvreemde stoffen en gaat dan antistoffen maken.

Slide 5 - Slide

Auto-immunziekte
  • Het komt ook voor dat het afweersysteem een lichaamseigen eiwit niet meer herkent.
  • Er worden dan antistoffen gemaakt tegen dit eiwit. Cellen met dit eiwit worden dan vernietigd. Dit wordt een auto-immuunziekte genoemd.
  • Reuma is hier een voorbeeld van. Het afweersysteem ziet eiwitten uit het gewrichtskapsel niet meer als lichaamseigen en zit dan de aanval hierop in. Hierdoor raken de gewrichten ontstoken.

Slide 6 - Slide

Bloedgroepen
  • Op de celmembranen van rode bloedcellen zitten bloedfactoren (antigenen) Deze kunnen als lichaamsvreemde stoffen werken voor iemand die deze stoffen niet heeft. 
  • De bekendste zijn bloedfactor A en bloedfactor B.
  • Ieder mens heeft bloed van een bepaalde bloedgroep
  • Welke bloedfactor je hebt bepaald welke bloedgroep je hebt.
  • Als je geen bloedfactor hebt dan heb je bloedgroep o

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Antistoffen
  • Het bloedplasma van elk mens bevat de antistoffen tegen de bloedfactoren die niet op de rode bloedcellen voorkomen.
  • Iemand met bloedgroep A heeft bijvoorbeeld zelf bloedfactor A.
  • Deze persoon heeft dan in het bloedplasma de antistof tegen bloedfactor B. Deze anti stof wordt anti-B genoemd. De antistof tegen bloedfactor A heet anti-A.  
  • Iemand met bloedgroep AB heeft beide bloedfactoren, dus geen antistoffen.
  • Iemand met bloedgroep o heeft geen bloedfactoren en dus Anti A en -B

Slide 9 - Slide

Bloedtransfusie
  • Bij een bloedtransfusie krijgt iemand bloed van een ander persoon.
  • Het beste is donorbloed van dezelfde bloedgroep.
  • In noodgevallen kan men bloed van een andere bloedgroep geven, maar in het bloed mogen geen antistoffen zijn tegen de bloedfactoren van de donor. Dan reageert Anti-A met bloedfactor A of B met B
  • Als dit wel het geval is klonteren de rode bloedcellen en kunnen deze blijven steken in de haarvaten.
  • De antistoffen in het bloed van de donor worden door de bloedtransfusie zo verdund dat ze geen schadelijke samenklontering kunnen veroorzaken.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Resusfactor
  • Naast bloedfactor A en B zijn er meer bloedfactoren. De resusfactor (het resusantigeen) is er één van.
  • Hierdoor zijn er meer bloedgroepen te onderscheiden.
  • Bij 85% van de mensen komt op de celmembranen van de rode bloedcellen de resusfactor voor. Deze hebben resuspositief bloed (Rh+)
  • Mensen die dit niet hebben, zijn resusnegatie (Rh-). Deze mensen kunnen antiresus maken, een antistof tegen de resusfactor.
  • Zij maken deze antistof pas als ze in contact komen met resuspositief bloed.

Slide 14 - Slide

Zwangerschap
  • De resusfactor kan ook problemen geven bij zwangerschap.
  • Dit is het geval als een resusnegatieve vrouw zwanger is van een reuspositief kind.
  • Als er tijdens de bevalling lekken in de placenta ontstaan kunnen rode bloedcellen van het kind in de bloedsomloop komen.
  • De moeder maakt dan antiresus aan. Dit heeft geen gevolgen voor het eerste kind, omdat antiresus langzaam gemaakt wordt. 
  • Na de bevalling gaat het bloed van de moeder steeds meer antiresus bevatten.

Slide 15 - Slide

Zwangerschap tweede kind
  • Als bij een volgende zwangerschap het kind weer resuspositief is, kan er antiresus uit het bloed van de moeder door de placenta in het bloed van het kind terechtkomen.
  • Dan kunnen de rode bloedcellen van het kind samenklonteren en kapotgaan. Dit kan hersen- en nierbeschadiging veroorzaken.
  • Een kind met deze verschijnselen wordt een resuskind genoemd.
  • Als een resusnegatieve moeder zwanger is van een eerste resuspositief kind, krijgt ze in week 30 en vlak na de bevalling antiresus geïnjecteerd.
  • Daardoor maakt de moeder zelf geen antiresus aan. 

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Bloedbepaling
Bij de bloedgroepbepaling van een persoon gebruikt men drie testera:
  • Een serum met anti-A
  • Een serum met anti-B
  • Een serum met antiresus
Van elk van deze testera wordt een druppel samengebracht met een druppel bloed van deze persoon. De druppels worden goed gemengd, waarna het bloed samenklontert of onveranderd blijft. Hieruit is af te lezen welke bloedgroep de persoon heeft.

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Aan het werk!
Maken opdrachten 13.7: 1, 2, 3, 5, 6 en 7
Werk af?
Laten checken bij docent, bij goedkeuring nakijken.
Werk nagekeken en laten controleren?
  • Plusopdracht maken
  • Test jezelf
  • Lezen
  • Bezig met een ander vak

 

timer
25:00

Slide 20 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt de problemen beschrijven die het afweersysteem veroorzaakt bij transplantaties en auto-immuunziekten.
  • Je kunt de rol van bloedfactoren bij bloedtransfusies en de rol van de resusfactor bij zwangerschap beschrijven.

Slide 21 - Slide