Arbeid en Energie

Het is mogelijk om arbeid te verrichten op een stilstaand voorwerp
A
Waar
B
Niet waar
1 / 34
next
Slide 1: Quiz
natuurkundeHBOStudiejaar 1

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Het is mogelijk om arbeid te verrichten op een stilstaand voorwerp
A
Waar
B
Niet waar

Slide 1 - Quiz

Slide 2 - Slide

Een doos wordt geduwd en beweegt met constante snelh. over een ruwe vloer. Wat kan je zeggen over de arbeid die door Fw wordt verricht?
A
Fw levert geen arbeid
B
Fw levert negatieve arbeid
C
Fw levert positieve arbeid

Slide 3 - Quiz

Slide 4 - Slide

De wrijvingskracht kan positieve arbeid verrichten
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quiz

Slide 6 - Slide

Een honkbal catcher vangt een bal (v = 90 km/h). Wat kan gezegd worden over de arbeid die de catcher verricht op de bal?
A
Catcher verricht geen arbeid
B
Catcher verricht positieve arbeid
C
Catcher verricht negatieve arbeid

Slide 7 - Quiz

Slide 8 - Slide

Een bal wordt aan een touwtje rondgedraaid. Wat kan gezegd worden over de arbeid die de spankracht verricht?
A
De spankracht verricht geen arbeid
B
De arbeid is positief
C
De arbeid is negatief

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Slide

Een doos wordt met een katrol een ruwe helling opgetrokken. Hoeveel krachten verrichten arbeid op deze doos?
A
Geen krachten
B
Eén kracht
C
Twee krachten
D
Drie krachten

Slide 11 - Quiz

Slide 12 - Slide

Met welke factor verandert de kinetische energie als de snelheid verdrievoudigt?
A
Geen verandering
B
Factor 3
C
Factor 6
D
Factor 9

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Slide

Auto 1 heeft een twee keer zo grote massa als auto 2, maar Ek is hetzelfde. Wat kan gezegd worden over de snelheid van de auto's?
A
2*v1 = v2
B
4*v1 = v2
C
sqrt(2)*v1 = v2
D
v1 = v2

Slide 15 - Quiz

Slide 16 - Slide

Twee stenen, m_steen1 twee keer zo groot als m_steen2, worden van een klif gegooid. Wat is de Ek van steen1 in relatie tot steen2?
A
Ek1 = 0,50*Ek2
B
Ek1 = 2*Ek2
C
Ek1 = Ek2
D
Ek1 = 4*Ek2

Slide 17 - Quiz

Slide 18 - Slide

Wat is de eindsnelheid van de zware steen (m=2x zo groot) in relatie tot de lichte steen vlak voor het op de grond komen?
A
v_zwaar = 0,5*v_licht
B
v_zwaar = 2*v_licht
C
v_zwaar = v_licht
D
v_zwaar = 4*v_licht

Slide 19 - Quiz

Slide 20 - Slide

Nadat een nettokracht heeft gewerkt gaat de snelheid van een kind van 2 naar 3m/s. Wat geldt voor de arbeid van Fnetto?
A
Positieve arbeid
B
Negatieve arbeid
C
Geen arbeid
D
Te weinig gegevens

Slide 21 - Quiz

Slide 22 - Slide

Een auto (v=60km/h) kan binnen 20m tot stilstand komen. Wat is de remafstand bij v=120km/h als de remkracht gelijk is?
A
20 m
B
40 m
C
60 m
D
80 m

Slide 23 - Quiz

Slide 24 - Slide

Wat kost meer arbeid: een versnelling van 0 tot 30 km/h of een versnelling van 30 tot 60 km/h?
A
0-30
B
30-60
C
Evenveel

Slide 25 - Quiz

Slide 26 - Slide

W_0 laat een auto van 0km/h naar 50 km/h gaan. Hoeveel arbeid is nodig om de auto van 50km/h naar 150km/h te laten gaan?
A
2*W_0
B
3*W_0
C
8*W_0
D
9*W_0

Slide 27 - Quiz

Slide 28 - Slide

Twee massa's (m1>m2) die over een wrijvingsloze vloer bewegen komen tot stilstand tegen een ruw stuk. Ek is gelijk. Welke massa komt verder?
A
m1 komt verder
B
m2 komt verder
C
Beide massa's komen even ver

Slide 29 - Quiz

Slide 30 - Slide

Een golfbal met snelh V0 komt op ¼ afstand van de hole. Fw_gras is constant. Bij welke snelheid komt de bal in de hole?
A
2*v0
B
4*v0
C
8*v0
D
16*v0

Slide 31 - Quiz

Slide 32 - Slide

De kinetische energie van een object kan negatief zijn.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 33 - Quiz

Slide 34 - Slide