Uitdroging en irritatie van huid en slijmvliezen
Als een zorgvrager zuurstof krijgt toegediend, loopt hij een risico op uitdroging van de huid van het gezicht en de slijmvliezen van mond, neus, keel en luchtpijp. Om dit te voorkomen, kun je de volgende handelingen uitvoeren:
Maak dagelijks de neus schoon door de zorgvrager te laten snuiten.
Reinig dagelijks de mond door de zorgvrager de mond te laten spoelen.
Bevochtig de zuurstof door middel van een aquapack als je meer dan 5 liter per minuut geeft.
Gebruik speciale manchetten ter bescherming van de oren, als de zuurstofslang irritatie geeft.
Breng de katheterslang afwisselend in beide neusgaten aan.
Smeer de neus in met een vetvrije crème om decubitus aan de neus te voorkomen (gebruik geen vethoudende crème om risico op ontbranden te voorkomen).
Weglekken van zuurstof
Het kan voorkomen dat zuurstof niet rechtstreeks in de longen terechtkomt, maar ongebruikt weglekt. Mogelijke oorzaken hiervan zijn zwelling van het neusslijmvlies, verstopping van de toevoerslang of onjuiste plaatsing van zuurstofbril, neuskatheter of masker. Je kunt proberen dit te voorkomen door:
de zorgvrager aan te geven zoveel mogelijk met gesloten mond door de neus te ademen;
een verstopte toevoerslang te vernieuwen;
zuurstofbril, neuskatheter of masker te verplaatsen zodat er geen zuurstof meer kan ontsnappen.
Een te lage of te hoge dosering van zuurstof
Het toedienen van zuurstof is niet zonder risico's. Bij een te laag zuurstofaanbod kan een zorgvrager benauwd worden, duizelig zijn of stoornissen in het bewustzijn oplopen. De zorgvrager kan flauwvallen.
Bij een te hoge zuurstofsaturatie bij zorgvragers met een chronische longaandoening kan het gebeuren dat de ademprikkel wegvalt. Dit ontstaat omdat door het toedienen van zuurstof het lichaam aan de hersenen doorgeeft dat er voldoende zuurstof in de vaten aan de buitenzijde van het lichaam is, zoals in armen en benen, en dus dat er voldoende zuurstof in het lichaam aanwezig is. Als de ademprikkel wegvalt, zal de natuurlijke ademhaling bij deze zorgvragers slechter worden. Ook de afvoer van koolstofdioxide valt dan weg. In het ergste geval lukt het de zorgvrager, nadat de zuurstof is afgebouwd, niet meer om nog voldoende diep adem te halen. De longen pikken hun oude werk om gassen uit te wisselen niet meer voldoende op. Vanaf dat moment heeft de zorgvrager continu zuurstof nodig.