H22 - Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Goedemorgen klas 2C

Vandaag...

- stillezen
- Lezen hoofdstuk 1
Goedemorgen klas 1E

Vandaag...
- Stillezen
- Herhaling pv, ow, wg, lv
- Nieuw: mv

Leerdoel:
- Ik weet wat de kenmerken en functie van de pv, het ow, het wg. lv en het mv zijn in een zin.
- Ik kan in een zin bepalen wat de pv, ow, wg en mv zijn.

Huiswerk dinsdag 11 april
Maken: hoofdstuk 21, opdracht 1 t/m 7

Huiswerk maandag 17 april
Maken: hoofdstuk 22, opdracht 1 t/m 3




1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Goedemorgen klas 2C

Vandaag...

- stillezen
- Lezen hoofdstuk 1
Goedemorgen klas 1E

Vandaag...
- Stillezen
- Herhaling pv, ow, wg, lv
- Nieuw: mv

Leerdoel:
- Ik weet wat de kenmerken en functie van de pv, het ow, het wg. lv en het mv zijn in een zin.
- Ik kan in een zin bepalen wat de pv, ow, wg en mv zijn.

Huiswerk dinsdag 11 april
Maken: hoofdstuk 21, opdracht 1 t/m 7

Huiswerk maandag 17 april
Maken: hoofdstuk 22, opdracht 1 t/m 3




Slide 1 - Slide

timer
15:00

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

H22 - Grammatica Zinsdelen
Het lijdend voorwerp


Naast de persoonsvorm (pv), het onderwerp (ow) en het werkwoordelijk gezegde (wg) kan een zin een lijdend voorwerp (lv) bevatten. 

LET OP: Niet in elke zin zit een lijdend voorwerp!

Het lijdend voorwerp kun je vinden door de vraag: 'Wat/wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?' te stellen. 


Slide 4 - Slide

H22 - Grammatica Zinsdelen
Het lijdend voorwerp


Hoe vind je het lijdend voorwerp?
  1. Je zoekt de persoonsvorm. 
  2. Vervolgens zoek je het onderwerp (Wie/Wat + pv?)
  3. Je noteert het werkwoordelijk gezegde

-> Stel de vraag: Wat/wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?
Het antwoord op deze vraag is het lijdend voorwerp. 

Slide 5 - Slide

Hij geeft de bloemen aan zijn zus.

pv=
wg=
ow=
lv=
mv=

Slide 6 - Slide

Zij heeft me dit boek gegeven. 
pv=
wg=
ow=
lv=
mv = 

Slide 7 - Slide

Wie is daar zoveel lawaai aan het maken?

pv =
wg =
ow =
lv =
mv = 

Slide 8 - Slide

Nakijken...
H21: opdracht 1 t/m 7

H22: opdracht 1 t/m 3


Slide 9 - Slide

Goedemorgen klas 2C

Vandaag...

- stillezen
- Lezen hoofdstuk 1
Goedemorgen klas 1E

Vandaag...
- Stillezen
- Herhaling pv, ow, wg, lv
- Nieuw: mv

Leerdoel:
- Ik weet wat de kenmerken en functie van de pv, het ow, het wg. lv en het mv zijn in een zin.
- Ik kan in een zin bepalen wat de pv, ow, wg en mv zijn.

Huiswerk dinsdag 11 april
Maken: hoofdstuk 21, opdracht 1 t/m 7

Huiswerk maandag 17 april
Maken: hoofdstuk 22, opdracht 1 t/m 3




Slide 10 - Slide

Zinsdelen tot nu toe: 

  • persoonsvorm (pv)
     tijdproef, getalproef (vraagzin)

  • onderwerp (ow)
      Wie/(wat) + pv?

  • werkwoordelijk gezegde (wg)
     zegt wat het onderwerp (iets of              iemand) doet

  • lijdend voorwerp (lv)
     Wat/Wie + wg + ow ?




Slide 11 - Slide

Meewerkend voorwerp (mv)
> De broertjes gaven een klein cadeau aan hun moeder.

In sommige zinnen komt een meewerkend voorwerp voor. Het meewerkend voorwerp geeft aan dat het onderwerp iets aan iemand geeft of vertelt. 

Een meewerkend voorwerp kan beginnen met aan of voor, maar dat hoeft niet altijd. Als het niet met 'aan' begint, moet je 'aan' ervoor kunnen zetten.  




Slide 12 - Slide

Hoe vind je het meewerkend voorwerp?

  1. Noteer eerst de pv, het wg, het ow en het lv
  2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

VB: Lina mocht haar buurvrouw een doosje chocolade geven. 
pv : mocht 
wg: mocht geven
ow: Lina
lv: een doosje chocolade
mv: Aan wie mocht Lina een doosje chocolade geven? -> (aan) haar buurvrouw
mv is dus 'haar buurvrouw'




Slide 13 - Slide

En nu...
Maak van H22 opdracht 4, 5 en 8

Slide 14 - Slide

Wat is het onderwerp?
gekeken.
Het onderwerp
We 
hebben
vanavond
een serie 

Slide 15 - Drag question

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
gekeken.
Het werkwoordelijk gezegde
We 
hebben
vanavond
een serie 

Slide 16 - Drag question

Wat is het lijdend voorwerp?
gekeken.
Het lijdend voorwerp
We 
hebben
vanavond
een serie 

Slide 17 - Drag question

Wat is het lijdend voorwerp?
altijd 
Het lijdend voorwerp

Waar
zet
jij 
jouw racefiets
neer?

Slide 18 - Drag question

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin:

'Mijn moeder zit een skypegesprek te voeren met haar zus in Spanje.'
A
mijn moeder
B
een skypegesprek
C
met haar zus
D
met haar zus in Spanje

Slide 19 - Quiz

H3 Grammatica Zinsdelen - Het lijdend voorwerp 



Het lijdend voorwerp kun je dus vinden door de vraag: 'Wat/wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?'

Let op: het lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel (aan, achter, bij in, langs, met, naast, onder, op, over, voor enz.)

Slide 20 - Slide

Noteer de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wg), het onderwerp (ow) en het lijdend voorwerp (lv) van de volgende zin:
Vanavond maak ik eindelijk mijn werkstuk over vulkanisme af.

Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-).

Slide 21 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin.

Staat de burgemeester in de stad snoep uit te delen aan de kinderen?
A
de burgemeester
B
in de stad
C
snoep
D
aan de kinderen

Slide 22 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin.

Vanmorgen legde de geschiedenisleraar de opdrachten nog eens aan zijn klas uit.
A
vanmorgen
B
de geschiedenisleraar
C
de opdrachten
D
aan zijn klas

Slide 23 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin.

Johannes de Jong heeft ons alweer zo'n superlange e-mail gestuurd.

A
Johannes de Jong
B
ons
C
alweer
D
zo'n superlange e-mail

Slide 24 - Quiz

Bevat de volgende zin een meewerkend voorwerp?

Waarom zou dit orkest zulke ouderwetse liedjes spelen?
A
Ja
B
Nee

Slide 25 - Quiz

Bevat de volgende zin een meewerkend voorwerp?

Vanwege m'n verjaardag gaf ik vandaag iedereen in de klas een traktatie.
A
Ja
B
Nee

Slide 26 - Quiz

Bevat de volgende zin een meewerkend voorwerp?

Ik ga in de toekomst ongetwijfeld een tijdje in een woonboot wonen.
A
Ja
B
Nee

Slide 27 - Quiz

Hoe vind je het meewerkend voorwerp?

Slide 28 - Open question

SAMENGEVAT

Als je het meewerkend voorwerp wil vinden, noteer je eerst: ow, wg en lv. Vervolgens stel je de vraag: Aan/Voor wie + wg + ow + lv?

Let op:
  1. Niet elke zin bevat een meewerkend voorwerp.
  2. Het is belangrijk om de juiste volgorde aan te houden bij het vinden van zinsdelen.

Slide 29 - Slide

Numo

Slide 30 - Slide