Strafrecht hoofdstuk 7 (Cohort 2526)

Strafuitsluitingsgronden
&
Deelnemingsvormen
1 / 41
next
Slide 1: Slide
BedrijfseconomieMBOStudiejaar 2

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Strafuitsluitingsgronden
&
Deelnemingsvormen

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Strafuitsluitingsgronden. Wat zijn dat?

Slide 3 - Open question

Strafuitsluitingsgronden
Strafuitsluitingsgronden kun je opdelen in twee delen

- Rechtvaardigingsgronden
Rechtvaardigingsgronden nemen de wederrechtelijkheid weg 
De gedraging die strafbaar is wordt gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden.

- Schulduitsluitingsgronden
Schulduitsluitingsgronden nemen de schuld weg 
De gedraging is wederrechtelijk en dus niet gerechtvaardigd. De verdachte valt alleen geen verwijt te maken door bijzondere

Slide 4 - Slide

Strafuitsluitingsgronden

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Bedenk een voorbeeld bij 'Overmacht in de zin van noodtoestand'.

Slide 7 - Open question

Slide 8 - Slide

Noodweer

Slide 9 - Slide

Waar kijk de rechter dan precies naar?

Art. 41 Sr. 
1. Je lijf, eerbaarheid of een goed wordt aangevallen
2. Die aanranding is tegen je wil in (wederrechtelijk)
3. Die aanranding gebeurt direct
4. Je kan niet vluchten (subsidiariteit)
5. Je hebt enkel gedaan wat redelijk is (proportionaliteit)

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Maria loopt 's avonds op straat. Ineens wordt ze vanachter vastgepakt. Maria schrikt zo erg dat zij de sleutel die zij vast heeft in het oog van haar belager steekt. De man blijkt blind. Van welke rechtvaardigingsgrond is hier sprake?
A
Overmacht in de zin van noodtoetsand
B
Noodweer
C
Noodweerexces
D
Ontbreken materiele wederrechtelijkheid

Slide 14 - Quiz

Een deurwaarder ontruimt een woning en zet daarbij alle ontruimde spullen op straat op een plek waar het plaatsen van goederen aan de openbare weg strafbaar is gesteld.
Van welke rechtvaardigingsgrond is hier sprake?
A
Overmacht in de zin van noodtoestand
B
Wettelijk voorschrift
C
Ambtelijk bevel
D
Ontbreken materiële wederrechtelijkheid

Slide 15 - Quiz

Opdracht 
Maak opdracht 3 t/m 8 in Boom

Slide 16 - Slide

Opdracht 
Maak een samenvatting van de volgende schulduitsluitingsgronden:
- Psychische overmacht
- Ontoerekenbaarheid
- Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel
- Noodweerexces
- Avas 

--> Mag je opzoeken in je boek of online
timer
10:00

Slide 17 - Slide

Psychische overmacht

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Ontoerekeningsvatbaarheid

Slide 21 - Slide

Ontoerekeningsvatbaarheid

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Link

Opdracht 
maak opdracht 16 en 17 in Boom 

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Waar kijkt de rechter na bij noodweerexces?
Stap 1. Zijn aan de eisen van noodweer voldaan?
Stap 2. Is er sprake van een hevige gemoedsbeweging welke door de aanranding is veroorzaakt? 
Zo ja, is de overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en/of subsidiariteit veroorzaakt door deze hevige gemoedsbeweging (dubbele causaliteit)
Stap 4. Is men alle wettelijke perken te buiten gegaan? 

Slide 27 - Slide

Wat is het verschil tussen noodweer en noodweerexces?

Slide 28 - Open question

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Iemand wordt gechanteerd om mee te werken aan het verrichten een strafbare gedraging. Van welke schulduitsluitingsgrond is hier sprake?
A
Noodweerexces
B
Psychische overmacht
C
Ontoerekenbaarheid
D
Avas

Slide 31 - Quiz

Kaylee komt op de A2 in een file terecht. Een motoragent die naast de kant van de weg staat geeft het bevel om een over de vluchtstrook naar de volgende afslag te rijden. Kaylee veroorzaakt tijdens deze rit over de vluchtstrook een ongeluk. welke schulduitsluitingsgrond hoort hierbij?
A
Noodweerexces
B
Avas
C
Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel
D
Ontbreken materiele wederrechtelijkheid

Slide 32 - Quiz

Een vennootschap werd vervolgd voor het verkopen van pinda's met een te hoog gehalte aan aflatoxine B1, zijnde een overtreding van de Warenwet. De vennootschap weet hier niks vanaf. van welke schulduitsluitingsgrond is hier sprake?
A
Ontoerekenbaarheid
B
Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel
C
Psychische overmacht
D
Avas

Slide 33 - Quiz

Deelnemingsvormen
Op een avond loopt een groep van vier jongeren door een woonwijk in Rijswijk. De groep spreekt over het “slopen van iets” en daagt elkaar uit. Op enig moment tillen twee jongens een zware stoeptegel uit de bestrating. De anderen staan erbij. Er wordt gelachen en aangemoedigd. Even later wordt de stoeptegel vanaf een viaduct naar beneden gegooid, waar op dat moment auto’s rijden. De tegel belandt op een auto en veroorzaakt een dodelijk ongeluk.


Niet iedereen in de groep heeft:
  • de tegel daadwerkelijk uit de grond gehaald,
  • of de tegel zelf naar beneden gegooid.
Wel is vast komen te staan dat:
  • zij gezamenlijk naar het viaduct zijn gelopen,
  • niemand zich heeft gedistantieerd,
  • men bij elkaar is gebleven,
  • er sprake was van een opgejutte groepssfeer.

Slide 34 - Slide

Is hier sprake van medeplegen?
A
Ja
B
Nee

Slide 35 - Quiz

Medeplegen of niet?

Slide 36 - Slide

Wat zijn deelnemingsvormen?

Slide 37 - Open question

Vereisten medeplegen
1. Accessoriteit
  • Medeplegen is op zichzelf niet strafbaar. Je moet ergens aan medeplegen, dus aan een strafbaar feit.
2. Dubbel opzet/bewuste samenwerking 
  • Je moet opzet hebben op het grondmisdrijf en op de samenwerking
3. Meer dan 1 die het feit pleegt 
  • Als je alleen bent, dan kan je niet medeplegen.
4. Nauwe samenwerking
  • Dit kan je bewijzen door o.a. een hoge mate van inwisselbaarheid van rollen, een gezamenlijke uitvoering, de rol in de samenwerking in de aan het feit te medeplegen voorafgaande fase etc.

Slide 38 - Slide

Vereisten medeplichtigheid
1. Accessoriteit
  • Medeplichtigheid is op zichzelf niet strafbaar. Je moet ergens aan medeplegen, dus aan een strafbaar feit.
2. Is het grondfeit een misdrijf
  • Medeplichtigheid is alleen strafbaar bij een misdrijf
3. Dubbel opzet
  • Je moet opzet hebben op zowel het grondmisdrijf als op de samenwerking
4. Enige mate van ondergeschiktheid
  • De rollen mogen niet gelijk verdeeld zijn
5. Was de behulpzaamheid relevant?
  • Als je helpt, moet het daadwerkelijk ook ''helpen''.

Slide 39 - Slide

Uitlokking
1. Accessoriteit
  • Uitlokking is op zichzelf niet strafbaar. Je moet ergens aan medeplegen, dus aan een strafbaar feit.
2. Dubbel opzet
  • Je moet opzet hebben op zowel het grondmisdrijf als op de uitlokking
3. Is er sprake van een gewekt wilsbesluit?
  • Iemand moest eerst iets niet willen, maar door de uitlokking dit wel willen doen.
4. Is er gebruik gemaakt van een van de vereiste uitlokkingsmiddelen, art 47 lid 1 sub 2 Sr.
  • Er moet sprake zijn van een van de vereiste uitlokkingsmiddelen die in art. 47 lid 1 sub 2 Sr. staan 


Slide 40 - Slide

Doen plegen
1. Is er sprake dat iemand een ander teweegbrengt een strafbaar feit te begaan?
2. Accessoriteit
3. Dubbel opzet
4. Zo ja, dan is de middellijke dader strafbaar (doet pleger) en de onmiddellijke dader (uitvoerder) niet strafbaar.



Slide 41 - Slide