Herhalingslessen hoofdstuk 2

Herhaling hoofdstuk 2


Geldzaken

1 / 42
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomiePraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Herhaling hoofdstuk 2


Geldzaken

Dinsdag 4 november (volgende week) Toets hoofdstuk 2

Paragraaf 1 Inkomen uit arbeid

Learning objective

Hoe ziet de les eruit:

  • Wat weten jullie al?

  • Doelen

  • Uitleg

  • Opdrachten maken

Waar denk je aan bij:

Inkomen uit arbeid

Doelen:

  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit arbeid.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen lonen kunnen ontstaan.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen wat minimumloon is.

Inkomsten uit arbied:

  • Loon of salaris

  • Extra beloningen (vakantiegeld)

  • Toeslagen voor onregelmatige diensten en bijzondere prestaties

  • Loon in natura

  • Winst uit arbeid (eigen bedrijf)

Verschillend tussen lonen:

  • De functie in het bedrijf

  • Het aantal jaren werkervaring

  • Het aantal werkuren per week

Minimumloon:

  • Minimumjeugdloon

  • Minimumloon

Test jezelf paragraaf 1 maken voor morgen

Aflsuiting:

  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit arbeid.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen lonen kunnen ontstaan.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen wat minimumloon is.

Paragraaf 2 Inkomen uit bezit

Hoe ziet de les eruit:

  • Wat weten jullie al?

  • Doelen

  • Uitleg

  • Opdrachten maken

Waar denk je aan bij:

Inkomen uit bezit

Doelen:

  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit bezit.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen inkomsten uit bezit kunnen ontstaan.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe je inkomsten uit aandelen kan verdienen.

Inkomsten uit bezit:

  • Rente (uitlenen van geld)

  • Huur (beschikbaar stellen van bezit)

  • Pacht (beschikbaar stellen van grond)

  • Winst (bezit van een bedrijf)

  • Dividend (bezit van aandelen)

Verschillen tussen inkomsten uit bezit:

  • De waarde van de bezittingen

  • De hoogte van het rentepercentage

  • De hoogte van de winstuitkering (Dividend)

Beleggingen in aandelen:

  • Aandeel = een bewijs dat iemand mede-eigenaar is van een onderneming.

  • Dividend = een winstuitkering van een bedrijf aan de aandeelhouders.

  • Koers = de prijs van een aandeel


Inkomsten uit aandelen:

  • Dividend

  • Bij verkoop koerswinst of koesverlies

Test jezelf maken paragraaf 2 voor morgen

Aflsuiting:

  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit bezit.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen inkomsten uit bezit kunnen ontstaan.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe je inkomsten uit aandelen kan verdienen.

Paragraaf 3 Aanvullende inkomsten

Hoe ziet de les eruit:

  • Wat weten jullie er al

  • Doelen

  • Uitleg

  • Opdrachten maken

Waar denk je aan bij:

Aanvullende inkomsten

(wat is het & voorbeelden)

Doelen:

  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden geven van aanvullende inkomsten.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen waarvan de aanvullende inkomsten afhankelijk zijn.

Studiefinanciering:

Een uitkering voor scholieren en studenten vanaf 18 jaar.


Een studiefinanciering bestaat uit:

  • Basisbeurs

  • Aanvullende beurs (inkomen van ouders)

  • Lening

Huurtoeslag:

Een bijdrage van de overheid in de huurkosten.


Afhankelijk van:

  • Hoogte van de huur

  • Hoogte van je inkomen

Kinderbijslag:

Een bijdrage van de overheid in de kosten voor de opvoeding van kinderen tot 18 jaar.


Hoogte is afhankelijk van:

  • De leeftijd van het kind

  • Het aantal kinderen

Zorgtoeslag:

Een bijdrage van de overheid om de premie van de zorgverzekering tegen ziektekosten te betalen.


  • De zorgverzekering is verplicht

  • Mensen met een laag inkomen krijgen zorgtoeslag

Bijstand:

Een bijdrage van de overheid voor als je niet genoeg geld hebt om van te leven.


  • Inkomen beneden het sociaal minimum

  • Vult het eigen inkomen aan tot het sociaal minimum


Sociaal minimum: het inkomen dat volgens de overheid ten minste nodig is om van te leven

Test jezelf paragraaf 3 maken voor volgende week

Aflsuiting:

  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden geven van aanvullende inkomsten.


  • Aan het einde van de les kan je uitleggen waarvan de aanvullende inkomsten afhankelijk zijn.

Paragraaf 4 Geld telt

Paragraaf 5 Bankieren

Hoe ziet de les eruit:

  • Uitleg

  • Opdrachten maken

Paragraaf 4 geld telt

Functies van geld:

  • Ruilmiddel: het gebruiken van geld voor aankopen en verkopen


  • Rekenmiddel: het gebruiken van geld voor de weergave van prijzen


  • Spaarmiddel: de mogelijkheid die geld biedt om aankopen uit te stellen

Betaalmogelijkheden:

  • Contant geld

  • Bankpas

  • Creditcard

  • Smartphone

Geld word van je bankrekening gehaald:

  • Betalen via een betaalautomaat

  • Opnemen van geld bij een geldautomaat

  • Betalen met je smartphone

Paragraaf 5 Bankieren

Wat kan je doen met een bankrekening en bankpas:

  • Betalen

  • Je saldo opvragen

  • Pinnen

  • Internetbankieren

Negatief saldo op je bankrekening:

  • Rood staan: een negatief saldo op je bankrekening


  • Je moet rente betalen

Geld overmaken:

  • Internetbankieren


voordelen internetbankieren:

  • Je kan op elk moment je saldo checken

  • Je kan je afschrijvingen en bijschrijvingen bijhouden

  • Je kan de datum van elke betalen opvragen


  • Een machtiging (automatische incasso)

Test jezelf paragraaf 4 en 5 maken voor morgen