Woordsoorten 2.8

Begintaak
Pak pen en papier en schrijf op: 

Benoem alle voorzetsels uit de volgende zin: 

Ik ben het meest op mijn gemak als ik tijdens het fietsen heel hard met mijn muziek meezing. 
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Begintaak
Pak pen en papier en schrijf op: 

Benoem alle voorzetsels uit de volgende zin: 

Ik ben het meest op mijn gemak als ik tijdens het fietsen heel hard met mijn muziek meezing. 

Slide 1 - Slide

Vandaag
  1. Bespreken huiswerk
  2. Lezen (15 minuten)
  3. Uitleg bijvoeglijk naamwoord
  4. Aan de slag! 

Slide 2 - Slide

Bespreken huiswerk

Slide 3 - Slide

Terugkoppeling begintaak
Ik ben het meest op mijn gemak als ik tijdens het fietsen heel hard met mijn muziek meezing. 


  • op
  • tijdens
  • met

Slide 4 - Slide

Lekker lezen

Slide 5 - Slide

Leerdoelen 
  • Ik weet wat een bijvoeglijk naamwoord is en ik kan deze benoemen in een zin. 

Slide 6 - Slide

Voorzetsels
  • Voorzetsels staan meestal voor een lidwoord of een voornaamwoord met een zelfstandig naamwoord. (achter die kast, naast mij, onder de boeken). Ze kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan, meestal geeft het dan een richting aan. (Ik viel de sloot in, hij liep de weg op. ) 

  • Let op! Delen van scheidbare werkwoorden zijn geen vz. 
  • Bv. opbellen. Hij belt mij op. op = geen vz

Slide 7 - Slide

Eigenschappen vz


  • Ze geven een plaats, tijd of reden aan.
  • Trucje:
  • ... de kast (achter, op, voor)
  • ... het feest (tijdens, na, gedurende)



Slide 8 - Slide

Wat is GEEN voorzetsel?
A
Tijdens
B
eerste
C
achter
D
langs

Slide 9 - Quiz

We kijken samen naar voetbal op de televisie
Sleep het vinkje naar het voorzetsel

Slide 10 - Drag question

Zet het juiste voorzetsel in de zin.
Is jouw voetbaltrainer ook zo trots ... zijn team?
op
achter
met
bij
tegen
aan

Slide 11 - Drag question

Zet het juiste voorzetsel in de zin.
Ben jij bang ... spinnen?
op
achter
voor
bij
tegen
aan

Slide 12 - Drag question

Wat is het voorzetsel in deze zin:
Ik ga bij mijn vriend voetballen.

Slide 13 - Open question

Welk woord in de zin is het voorzetsel :
Mijn fiets staat tegen de schutting.

Slide 14 - Open question

De ondernemende peuter kroop … de tafel - welk voorzetsel kun je hier neerzetten?

Slide 15 - Open question

Vul aan met een voorzetsel:
We zijn ..... Brussel gereden.

Slide 16 - Open question

Vul aan met een voorzetsel:
We hebben een hekel ... huiswerk.

Slide 17 - Open question

Haal alle voorzetsels uit de volgende zin:

De kleine kinderen van mijn collega zijn bezig met een prachtige tekening.

Slide 18 - Open question

Theorie bijvoeglijke naamwoorden
- Zegt iets over een zelfstandig naamwoord (staat ervoor/erachter)
bijvoorbeeld: De blauwe trui is kapot.
- Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zeggen van welk materiaal iets is gemaakt, eindigen meestal op -en. 
bijvoorbeeld: de zilveren ring
- Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord schrijf je zo kort mogelijk.
bijvoorbeeld: het vergrote scherm of het beantwoorde bericht

Slide 19 - Slide

Welk woord is het bijvoeglijk naamwoord?
'De meester zag haar ingespannen gezichtje dat zich over het taalschrift boog.'
A
meester
B
gezicht
C
ingespannen
D
zich

Slide 20 - Quiz

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
'Omdat mijn moeder een andere baan kreeg.'
A
mijn
B
andere
C
omdat
D
kreeg

Slide 21 - Quiz

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
'Jij lijkt me een heel serieus meisje met een groot verantwoordelijkheidsgevoel.'
A
heel
B
serieus
C
met
D
groot

Slide 22 - Quiz

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
'Een stil meisje, smalletjes, ze hield zich nogal afzijdig', somde Evelien de Bruin op.
A
stil
B
meisje
C
somde
D
op

Slide 23 - Quiz

Hoe schrijf je bijvoeglijke naamwoorden?
Schrijf bijvoeglijke naamwoorden zo kort mogelijk! Schrijf zoveel mogelijk wat je hoort!

Let op!
de aardige man - een aardige man
het leuke huis - een leuk huis
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zijn met - en, bijvoorbeeld: een houten tafel.

Slide 24 - Slide

Vul het bijvoeglijk naamwoord in.
lief - Het ........meisje zat achter in de klas.

Slide 25 - Open question

Vul het bijvoeglijk naamwoord in.
zorgelijk - Er verscheen een ......rimpel in zijn voorhoofd.

Slide 26 - Open question

Vul het bijvoeglijk naamwoord in.
smal - Ze schoof haar fiets in het .......gangetje.

Slide 27 - Open question

Aan de slag!
woensdag 3 april
Nederlands
§2.8 Woordsoorten
Opdracht 1, 4, 5, 6 , 10, 11 en 12

Slide 28 - Slide

Aan de slag!
Woensdag 27 maart
Nederlands
§2.8 Woordsoorten
Opdracht 1, 4, 5 en 6, 

Slide 29 - Slide