12. Spider-Man - ONLINE Skills Test preparation

1 / 16
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

GOALS:
 - je weet wat je moet leren voor het proefwerk van volgende week maandag
- als je nog vragen hebt over de stof heb je deze gesteld en mevrouw ze beantwoord 

Slide 2 - Slide

Leren voor proefwerk:
- leerblad: bladzijde 49, 50 en 51 
(onderdeel 2 t/m 8). 
- WEET-werkwoorden  Spider-Man (quizlet) 
- In de grammar app: In the past --> Past: was or were / Past simple / Past continuous

Slide 3 - Slide

Praten over het verleden: past simple 
Werkwoorden in de verleden tijd kunnen regelmatig en onregelmatig zijn.  

Regelmatige werkwoorden in de verleden tijd eindigen op -ed. Als een werkwoord op -ed eindigt, vertelt het dus iets over het verleden.  

I rushed aunt May out the door to safety.  
I used my superpower.  
Then I learned the truth. 

Slide 4 - Slide

Wanneer gebruik je de Past Simple?
A
om te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd
B
om te zeggen dat iets in het verleden even aan de gang was

Slide 5 - Quiz

Onregelmatige werkwoorden
Onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd zijn allemaal verschillend. Je leert deze uit je hoofd. 

Tony gave him a new suit.  
I took him under my web.  
I found the criminal in an abandoned warehouse.  

Slide 6 - Slide

be - was / were 
do - did 
go - went 
take - took 
give - gave 
find - found  

know - knew  
feel - felt  
sleep - slept 
hear - heard 
read - read 
have - had 


Slide 7 - Slide


run - ran 
sit - sat   
fall - fell  
lose - lost 
can - could   


come - came 
hurt - hurt 
fly - flew 
hit - hit 
fight - fought  

Slide 8 - Slide

Past simple: ontkennende zinnen  
 Zinnen met 'niet' noemen we ontkennende zinnen. 

Ontkennende zinnen maak je in de past simple zo: 

didn’t (did not) + hele werkwoord

Slide 9 - Slide

Welk woord staat in de verleden tijd? 
He liked to play with Lego when he was younger.
He didn't like to play with Lego.

They went to France every summer. 
They didn't go to France last summer. 


Slide 10 - Slide

Past Continuous

was / were + werkwoord-ing

I was watching TV
We were eating dinner

Slide 11 - Slide

Wanneer gebruik je de Past Continuous?
A
om te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd
B
om te zeggen dat iets in het verleden even aan de gang was

Slide 12 - Quiz

Ontkenningen in de Past Continuous
NOT

was NOT playing / wasn't 

were NOT doing / weren't


Slide 13 - Slide

Past Simple

Past Continuous
was cycling
were doing
cried
slept
was studying
watched
was reading

Slide 14 - Drag question

Slide 15 - Video

Leren voor proefwerk:
- leerblad: bladzijde 49, 50 en 51 
(onderdeel 2 t/m 8). 
- WEET-werkwoorden  Spider-Man (quizlet) 
- In de grammar app: In the past --> Past: was or were / Past simple / Past continuous

Slide 16 - Slide