Unit 5 grammar recap

Unit 5 Recap
Ireland
1 / 43
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Unit 5 Recap
Ireland

Slide 1 - Slide

The goals of this lesson are:
To make sure you know are ready for the test next week
that you understand the grammar of this unit

Slide 2 - Slide

Table of contents
Wat komt er op de toets?
Much, many, a lot of
Comparatives (vergelijkende trap)
Present simple vs present continuous
Practice time!

Slide 3 - Slide

Wat komt er op de toets?
Alle woorden uit Unit 5 (NL naar EN + EN naar NL)
Much, many, a lot of
Comparatives
Present simple vs continuous
Leestekst
Luisteroefening


Slide 4 - Slide

Much, many, a lot of

Slide 5 - Slide

Much, many, a lot of
Much: ontekennende (-) en vraag (?) zinnen als ze ontelbaar zijn
I don't have much time right now.
How much money does he have ?
Many:  (-) en (?) zinnen als ze telbaar zijn
I don't have many  kids, but my grandfather had 12 of them!
How many chairs are in this classroom?
A lot of: bevestigende(+) zinnen
I have a lot of time on my hands.
There are a lot of Tourists in Asia. 

Slide 6 - Slide

much / many / a lot of

We don't need .......... sugar.
A
much
B
many
C
a lot of
D
lots of

Slide 7 - Quiz

much / many / a lot of

She has ......... flowers.
A
much
B
many
C
a lot of
D
lots of

Slide 8 - Quiz

Much/many/a lot of
How .... milk is in the fridge?
A
much
B
many
C
a lot of

Slide 9 - Quiz

I want to have _____ (+) kids when I grow up.

Slide 10 - Open question

How _____ (?) water can you drink at once?

Slide 11 - Open question

She didn't eat _____ (-) apples.

Slide 12 - Open question

He doesn't have _____(-) talents, but I like him!

Slide 13 - Open question

Comparatives (and superelatives)
(vergelijkingen)

Slide 14 - Slide

Vergelijkingen
Als je iets wilt vergelijken met iets anders gebruik je -er (than)
My car is faster than yours.
I have a bigger dog at home.
Je gebruikt the -est wanneer iets het beste is.
Water is the cheapest thing you can buy.
Super Mario Bros. might be the shortest game I have ever played.

Je kan het zien als in het Nederlands: (Klein, kleiner, kleinst)

Slide 15 - Slide

Comparatives:
My father is ...(nice) of all!
A
more nicer
B
the nicest
C
niceest
D
most nice

Slide 16 - Quiz

Comparatives:
My grade is ...(good) than yours.
A
beter
B
gooder
C
better
D
more good

Slide 17 - Quiz

Comparatives:
French is ...(difficult) than English.
A
difficulter
B
more difficult
C
more difficulter
D
most difficultest

Slide 18 - Quiz

we are going to watch a video
Write down how many comparatives (and superelatives)
they naming. We will put this into a mindmap at the end.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Which ones did you hear?

Slide 21 - Mind map

Are there any questions?

Slide 22 - Slide

work:
Maak rusitg de opdrachten op je blaadje.
Je hebt de rest van de les de tijd, anders is het huiswerk. 
we kijken dit de volgende les na.
heb je vragen? Steek dan je hand op
Klaar? Ga dan nog even de woordjes/ expressions oefenen

Slide 23 - Slide

a look back
What did we learn?
what did I think of this lesson?
what did you guys think?

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Unit 5 recap
2

Slide 26 - Slide

The goals of this lesson are:

To make sure you know are ready for the test next week
that you understand the grammar of this unit

Slide 27 - Slide

Table of contents
A look back on the previous lesson (~ 5-7minutes)
Present simple & Present continuous (~5 minutes)
Will/won't/shall (~5 minutes)
expressions (~10 minutes)
work (~15 minutes)
round off (~5 minutes)

Slide 28 - Slide

Lookback
What do we remember from the previous lesson?
homework

Slide 29 - Slide

Present simple
Wanneer? Bij een gewoonte/ feit/ iets dat vaak (niet) gebeurt.
Hoe? er hoeft niks bij, behalve bij (+) she/he/it. 
Denk er wel aan dat bij vragen (?) en ontkenningen (-) do(n't) en voor She/he/it does(n't) erbij komt
Bijvoorbeeld
I always think about food.
She walks everyday
Does she always talk so fast?
We don’t watch many films.

Slide 30 - Slide

Present continuous
Wanneer: wanneer je iets echt NU aan het doen bent.
Hoe: am/are/is + werkwoord –ing
Bijvoorbeeld:
I am thinking about pizza right now.
We are thinking about pizza now.
are you even thinking right now?
She isn’t watching a film right now.

Slide 31 - Slide

What now?
Maak een Test Jezelf (5.2, 5.3, 5.4, 5.5)

Klaar?
Maak een volgende Test Jezelf
Leer op je eigen manier

Volgende les: Oefentoets Unit 5

Slide 32 - Slide

we ______ (to watch) Home Alone right now.
They always _____(to play) games with the family.
____Bob always_____ (to eat) apples?
We_______ (to work) out at the gym right now?

Slide 33 - Slide

toekomstige tijd will
  • Gebruik je als je iets (niet) gaat doen  
  • Bij tegenwoordige tijd gebruik je will ('ll)/won't plus hele werkwoord
B.v.: I'll be there at eight! They won't listen to me!

  • Bij vragen gebruik je alleen bij I en we, shall

Slide 34 - Slide

(+) I ________ (leave) my house in a minute.
(?) _____ you ever_____ (to grow) up?
(-)She ______ (to listen) to me!
(?) ___ we (to take) our bags with us?

Slide 35 - Slide

expressions
Je hebt 5 minuten om nog even de zinnen te bekijken in je boek, daarna geef ik jullie een paar vragen.
timer
5:00

Slide 36 - Slide

waar ga je naar school?

Slide 37 - Open question

Ik verdien 9 euro per uur

Slide 38 - Open question

Mag ik jullie aandacht?

Slide 39 - Open question

Ik begrijp niet wat je zegt.

Slide 40 - Open question

Ik zal je ontmoeten bij het station

Slide 41 - Open question

work:
Maak rusitg de opdrachten op je blaadje.
Je hebt de rest van de les de tijd, anders is het huiswerk. 
we kijken dit de volgende les na.
heb je vragen? Steek dan je hand op
Klaar? Ga dan nog even de woordjes/ expressions oefenen

Slide 42 - Slide

a look back
What did we learn?
what did I think of this lesson?

Slide 43 - Slide