Zinsbouw: Wie, wat, tijd, waar
Zinsbouw: Wie, wat, tijd, waar
Hoe gaat het vandaag?
Welke dag is het vandaag?
Hoe is het weer?
Leerdoelen:
Aan het einde van de les kun je zinnen maken en in een zin aangeven: wie, wat, wanneer en waar.
Vorige les
Lente, voorjaar
genieten
dauw
vogel
ongeduldig
Wat is zinsbouw?
Zinsbouw is hoe je woorden in een goede volgorde in een zin zet: wie doet wat, wanneer en waar.
De delen van een zin
Wat gebeurt er? Bijvoorbeeld: plant bloemen.
Degene die iets doet, bijvoorbeeld: De jongen.
Wat (werkwoord)
Wie (onderwerp)
Tijd en plaats in een zin
Tijd vertelt wanneer iets gebeurt, plaats vertelt waar. Bijvoorbeeld: vanmorgen of in het park.
Voorbeeldzin
Voorbeeld
Analyse
De kinderen (wie) spelen (wat) in de lente (wanneer) buiten (waar).
Wie = de kinderen, wat = spelen, wanneer = in de lente, waar = buiten.
De basiszin
Onderwerp (wie/wat) - Werkwoord - Tijd (wanneer) - Manier (wat) - Plaats (waar).
De kuikens eten 's ochtends voer in hun hok.
De bloemknoppen komen in het voorjaar aan de bomen.
Maak een goede zin.
Madeline
in
de
speelt
buiten.
graag
lente
Maak een goede zin.
Khaled
op
het
ligt
gras.
Maak een goede zin.
De
legt
haar
vlinder
het
op
eieren
blad.
Maak een goede zin.
De
groeien
aan
knopjes
boom.
de
Maak een goede zin.
Irina
de
kuikens
aait
nest
hun
in
Zelf zinnen schrijven
Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar
Zelf zinnen schrijven
Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar
Zelf zinnen schrijven
Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar
Zelf zinnen schrijven
Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar
Zelf zinnen schrijven
Beschrijf wat je ziet op het plaatje. Denk aan de zinsbouw!
1. Onderwerp (wie of wat)
2. Persoonsvorm (werkwoord)
3. Wanneer
4. Wat
5. Waar
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.