Schrijven over de verleden tijd - les 1
Schrijven over de verleden tijd - les 1
Wat heb je gedaan?
Ik heb gesport.
Ik heb boodschappengedaan.
Ik heb huiswerk gemaakt.
Ik heb met de hond op het strand gewandeld.
Leerdoel
Je leert hoe je zinnen moet schrijven over de verleden tijd.
Je leert hoe je een verslag moet schrijven over iets dat je gedaan of meegemaakt hebt.
Wat is een verslag?
In een verslag schrijf je wat je hebt gedaan.
We gebruiken dan vaak de verleden tijd.
Kijk naar de voorbeelden:
Ik heb met mijn vriend gepraat.
Ik heb vandaag veel vragen gesteld.
Ik heb goed geluisterd.
Ik heb een verslag gemaakt.
Evenementen en activiteiten
Je kunt een verslag schrijven over een feestje, een uitje of iets anders wat je hebt meegemaakt.
Voor school moet je soms ook een verslag schrijven, bijvoorbeeld over je stage.
Voorbeeld van een verslag
Ik heb gisteren de hele dag gewerkt. Ik heb eerst met collega's gepraat. Ik heb daarna aan mijn mentorklas lesgegeven. We zijn na de lessen met alle leerlingen naar Bowling Leeuwarden gegaan. Ik heb van mijn collega's gewonnen! Ik heb 132 punten gescoord. Ieteke heeft mij met de auto naar huis gebracht.
Voorbeeld: gemaakt - maken
gebeld
geluisterd
gewoond
sturen
gepakt
gewerkt
gehoord
gekookt
gefietst
gezet
Opdracht:
Schrijf eerst de woorden over in je schrift.
Schrijf daarna de werkwoorden met -en.
Hoe zit dat?
Vergelijk de zinnen over nu en de zinnen over gisteren.
nu gisteren
Olivia maakt haar huiswerk. Olivia heeft gisteren haar huiswerk gemaakt.
Karim kookt tomatensoep. Karim heeft gisteren tomatensoep gekookt.
Welke verschillen zie je?
Hoe zit dat?
Vergelijk de zinnen over nu en de zinnen over gisteren.
nu gisteren
Olivia maakt haar huiswerk. Olivia heeft gisteren haar huiswerk gemaakt.
Karim kookt tomatensoep. Karim heeft gisteren tomatensoep gekookt.
In de zinnen over gisteren zie je twee werkwoorden:
werkwoord 1: hebben
werkwoord 2: het 'ge'-woord
'Ge'-woorden
Ik heb gisteren de hele dag gewerkt.
Jij/U hebt je/uw huiswerk goed gemaakt.
Hij/Zij heeft lang met de buurman gepraakt.
Wij hebben de hele middag gevoetbald.
Jullie hebben lang in Rotterdam gewoond.
Zij hebben altijd samen gespeeld.
'Ge'-woorden
Ik heb gisteren de hele dag gewerkt.
Jij/U hebt je/uw huiswerk goed gemaakt.
Hij/Zij heeft lang met de buurman gepraakt.
Wij hebben de hele middag gevoetbald.
Jullie hebben lang in Rotterdam gewoond.
Zij hebben altijd samen gespeeld.
Oefening: Vul de juiste vorm van hebben in.
Wij hebben met de docent gepraat.
Ik heb mijn opa nooit gekend.
Jullie hebben mooie muziek gemaakt.
De politieagent heeft de vrouw gearresteerd.
Peter en Lara hebben een leuk feest georganiseerd.
Jij hebt dat goed gezegd!
Hoe maken we het 'ge'-woord?
Stap 1: We nemen eerst het werkwoord zonder -en.
werken -> werk
fietsen -> fiets
leren -> leer
bellen -> bel
Hoe maken we het 'ge'-woord?
Stap 2: Dan zetten we 'ge-' ervoor.
gewerk
gefiets
geleer
gebel
Hoe maken we het 'ge'-woord?
Stap 3: Ten slotte zetten we een -d of -t aan het einde van het woord.
gewerkt
gefietst
geleerd
gebeld
Hoe weten we wanneer we een -d of een -t kiezen?
Kijk naar de laatste letter van het woord.
Is dat een van de volgende letters: t - x - k - f - s - ch - p?
Dan kiezen we een -t.
gewerkt
gefietst
Bij alle andere letters kiezen we een -d.
geleerd
gebeld
Let op!
We hebben al geleerd over de speciale spelling bij -z en -v.
reizen - gereis..
leven - geleef..
Kiezen we nu een -d of een -t?
We kijken naar het woord met -en. Dus kiezen we een -d.
gereisd
geleefd
Tip
Je kunt de letters t - x - k - f - s - ch - p goed onthouden door ze in een woord te plaatsen:
't ex-kofschip
soft ketchup
't sexy fokschaap
Ik heb gisteren ... (trainen)?
Zij heeft gisteren ... (werken)
Maak de oefeningen
Probeer nu de oefeningen te maken.
Ben je klaar? Lever je blad in.
soft ketchup
t - x - k - f - s - ch - p
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.