Daniell-cel met scheidingswand en meter, 2007 (foto: Ganbare Hentekorin, publiek domein)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Examentraining
Elektrochemische cellen: zo pak je examenvragen aan
Daniell-cel met scheidingswand en meter, 2007 (foto: Ganbare Hentekorin, publiek domein)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Examentraining
Elektrochemische cellen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Ganbare Hentekorin / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over cellen, accu's, elektrolyse en rekenen met lading beantwoorden met de juiste vaktaal.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: stoffen, halfreacties, tekening, stroomsterkte en tijd?
2. Wijs aan: wie geeft e⁻ af (reductor), wie neemt ze op (oxidator)? Cel of elektrolyse?
3. Redeneer: polen, richting van e⁻, ionentransport; bij rekenen Q, n(e⁻), n(stof).
4. Controleer: atomen en lading, eenheden (s, C, mol) en significante cijfers.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Vraagtype 1: een cel beschrijven
Teken de cel: twee halfcellen, draad en zoutbrug of membraan. Zet erbij +, − en de richting van de e⁻.
De reductor reageert aan de negatieve elektrode, de oxidator aan de positieve.
Kationen gaan naar de elektrode waar e⁻ worden opgenomen, anionen naar waar e⁻ worden afgegeven.
Situatie: Mg in Mg(NO₃)₂(aq) en Cu in Cu(NO₃)₂(aq), met draad en zoutbrug. Mg is de sterkere reductor.
This item has no instructions
Wat gebeurt er in de Cu-halfcel tijdens het leveren van stroom?
[Cu²⁺] neemt toe en Cu lost op
[Cu²⁺] neemt af en er slaat Cu neer
[Cu²⁺] blijft gelijk en Mg slaat neer
[Cu²⁺] neemt af en Cu geeft e⁻ af
Mg is de sterkere reductor, dus Mg geeft e⁻ af (negatieve elektrode) en Cu²⁺ neemt ze op bij de positieve elektrode: Cu²⁺ + 2 e⁻ → Cu. De concentratie Cu²⁺ daalt, er slaat Cu neer. Verwachte fout: de rollen van Mg en Cu verwisselen, of Cu laten afgeven. Syllabus R1.14.
Halfreactie van Mg bij de negatieve elektrode?
Goed antwoord: Mg → Mg²⁺ + 2 e⁻ (toestanden mogen). Controle: 1 Mg links en rechts, lading 0 links en 2+ + 2− = 0 rechts. Verwachte fout: de e⁻ links van de pijl zetten of Mg²⁺ als beginstof. Syllabus R1.14 (halfreactie).
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Vraagtype 2: accu en systeemdenken
Noem de onderdelen: oxidator, reductor, elektroden, elektrolyt, verbinding, zoutbrug of membraan, en hun interactie.
Capaciteit: de stof die eerst op is, bepaalt hoeveel lading de cel levert.
Herlaadbaar: alle stoffen die bij ontladen ontstaan blijven in het systeem.
Controleer of de ionenkring gesloten is, met of zonder aparte zoutbrug.
Halfreacties in het voorbeeld: Zn → Zn²⁺ + 2 e⁻ en Ag⁺ + e⁻ → Ag.
This item has no instructions
Een accu heeft twee elektroden in één oplossing, zonder zoutbrug. Werkt hij?
Nee, zonder zoutbrug stopt de stroom altijd
Nee, de elektroden raken dan uitgeput
Ja, maar dan lopen de e⁻ door de oplossing
Ja, één oplossing sluit de ionenkring al
De functie van de zoutbrug is de ionenkring sluiten; dat kan ook één gemeenschappelijke oplossing doen. De e⁻ lopen altijd door de draad. Verwachte fout: denken dat een zoutbrug altijd nodig is. Syllabus Bijlage 4, voorbeeld 1, en R1.14.
Cel: 0,0100 mol Zn en 0,0100 mol Ag⁺. Hoeveel mol e⁻ levert de cel maximaal?
0,0100 mol
0,0200 mol
0,0300 mol
0,00500 mol
Ag⁺ + e⁻ → Ag: 0,0100 mol Ag⁺ neemt maximaal 0,0100 mol e⁻ op. Zn → Zn²⁺ + 2 e⁻ kan 0,0200 mol e⁻ afgeven; de kleinste hoeveelheid wint, dus Ag⁺ is beperkend en de cel levert hoogstens 0,0100 mol e⁻. Twee keer nagerekend. Fouten: 0,0200 is de capaciteit van Zn, 0,0300 de som, 0,00500 delen door twee bij Ag⁺. Syllabus R&A1.1 (ondermaat), Bijlage 4 (capaciteit).
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Vraagtype 3: elektrolyse
Elektrolyse: de bron duwt e⁻ de negatieve elektrode in; daar neemt de oxidator ze op.
Aan de positieve elektrode haalt de bron e⁻ weg: daar reageert de reductor.
Kationen gaan naar de negatieve, anionen naar de positieve elektrode.
Onthoud: in een cel reageert de reductor aan de negatieve, bij elektrolyse de oxidator.
Situatie: een CuCl₂-oplossing wordt ontleed; er ontstaat Cu uit Cu²⁺.
This item has no instructions
Aan welke elektrode ontstaat Cu en welk ion beweegt daarheen?
Positief; Cu²⁺ beweegt naar die elektrode
Negatief; Cl⁻ beweegt naar die elektrode
Negatief; Cu²⁺ beweegt naar die elektrode
Positief; Cl⁻ beweegt naar die elektrode
Cu²⁺ + 2 e⁻ → Cu: Cu²⁺ neemt e⁻ op, dat gebeurt bij elektrolyse aan de negatieve elektrode, en de kationen bewegen daar naartoe. Verwachte fout: de polariteit van een cel overnemen (oxidator aan de positieve). Veiligheid bij de demonstratie: aan de andere elektrode ontstaat giftig Cl₂, dus zuurkast. Syllabus R1.3, R1.14.
2 H₂O → O₂ + 4 H⁺ + 4 e⁻. Hoeveel mol e⁻ gaat er door de draad bij 0,10 mol O₂?
0,10 mol
0,20 mol
0,40 mol
0,025 mol
De halfreactie levert 4 e⁻ per O₂: n(e⁻) = 4 × 0,10 = 0,40 mol. Controle halfreactie: 4 H en 2 O links en rechts, lading 0 links en 4+ + 4− = 0 rechts. Fouten: 0,10 is 1 : 1, 0,20 is 2 : 1, 0,025 is delen door 4. Syllabus R&A1.1, T6.5.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Vraagtype 4: rekenen met lading
Gegeven: F = 9,65·10⁴ C mol⁻¹ (Binas/ScienceData); Q = I · t en Vm worden zo nodig gegeven.
Zet de tijd om in seconden voordat je Q = I · t uitrekent.
Gebruik de halfreactie voor de verhouding e⁻ : stof, dus van n(e⁻) naar n(stof).
Rond af op het kleinste aantal significante cijfers van de gegevens.
This item has no instructions
0,50 A, 30 min, Ag⁺ + e⁻ → Ag. Hoeveel g Ag? Q = I · t, F = 9,65·10⁴ C mol⁻¹
1,0 g
0,50 g
2,0 g
0,017 g
t = 30 × 60 = 1800 s; Q = 0,50 × 1800 = 900 C; n(e⁻) = 900 / 9,65·10⁴ = 9,33·10⁻³ mol; n(Ag) = 9,33·10⁻³ mol (1 e⁻ per Ag); m = 9,33·10⁻³ × 107,87 = 1,006 g, dus 1,0 g. Twee keer nagerekend. Fouten: 0,50 g is 2 e⁻ per Ag (n/2), 2,0 g is n(Ag) = 2 × n(e⁻), 0,017 g is 30 s in plaats van 1800 s. Syllabus R&A1.2.
Brandstofcel: 5,0 A, 1,0 uur, H₂ → 2 H⁺ + 2 e⁻. Hoeveel g H₂? Q = I · t
0,38 g
0,094 g
0,0031 g
0,19 g
t = 3600 s; Q = 5,0 × 3600 = 1,8·10⁴ C; n(e⁻) = 1,8·10⁴ / 9,65·10⁴ = 0,1865 mol; n(H₂) = 0,1865 / 2 = 0,0933 mol; m = 0,0933 × 2,016 = 0,188 g, dus 0,19 g. Twee keer nagerekend. Fouten: 0,38 g is 1 : 1 (e⁻ : H₂), 0,094 g is delen door 4, 0,0031 g is 60 s in plaats van 3600 s. Syllabus R&A1.2, T6.5.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een cel beschrijven
Accu en systeemdenken
Elektrolyse
Rekenen met lading
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · ELEKTROCHEMIE
Tips voor op het examen
Schets de cel en zet erbij: plus, min, richting van de e⁻, reductor, oxidator en de ionenstromen.
Bij elektrolyse reageert aan de negatieve elektrode de oxidator; in een cel de reductor.
Zet de tijd in seconden, gebruik de halfreactie voor e⁻ : stof en controleer de significante cijfers.
This item has no instructions