Examentraining 6e les _ Erfelijkheid en evolutie - PLS1337

Eindexamentraining
1 / 45
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo lwoo, mavoLeerjaar 4

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Eindexamentraining

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Corrigeren (samen oefenen) Examenbundel

Van generatie op generatie
Bladzijde 118 tot en met 127
Opgave 1 tot en met 31

Erfelijkheid en evolutie
Bladzijde 134 tot en met 142
Opgave 1 tot en met 24

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Erfelijkheid
Erfelijkheid is: het doorgeven van erfelijke eigenschappen van generatie op generatie

In alle cellen van een kind zit de helft van de erfelijke eigenschappen van de vader en de helft van de moeder
Erfelijkheidsonderzoek
Erfelijkheidsonderzoek is het bestuderen van DNA, de genen en/of de chromosomen
Ook wordt er gekeken naar erfelijke aandoeningen
- Prenataal onderzoek
- Hielprik (na de geboorte)


Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Fouten in de toets
evolutie/natuurlijke selectie moeten ze kennen en herkennen ze niet uit de vraagstelling. Meer mee oefenen
oefenen met evolutionaire stambomen kan beter



Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Geslachtscellen en lichaamscellen
Lichaamscellen: paren chromosomen (46 chromosomen)
22 paren chromosomen
1 paar geslachtschromosomen
Vrouw: XX en man XY


Geslachtscellen: enkelvoudige chromosomen (23 chromosomen
Zaadcellen van man, eicellen bij de vrouw


Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Kruisingen
Kruising: versmelting van twee geslachtscellen (bevruchting)


Belangrijke termen
Genotype (erfelijke eigenschappen), fenotype (uiterlijke kenmerken)
Allel: een variant van een gen
Homozygoot (AA/aa), heterozygoot (Aa)
Dominant Allel (A), recessief gen (a)
Intermediair: bij heterozygoot komen beide allelen tot uiting


Slide 6 - Slide

This item has no instructions

DNA en genen
DNA
- De belangrijkste drager van erfelijke informatie
Chromosomen
- Bestaan uit lange strengen DNA
- Komen in paren voor (1 van vader, 1 van moeder)
Gen
- Stukje chromosoom dat informatie voor een erfelijke eigenschap bevat (bijvoorbeeld haarkleur)
Mutatie
- Verandering in erfelijk materiaal
- Goed, slecht of geen resultaat


Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Kruisingen

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Kruisingen
Moedercel: de cel die gaat delen (altijd 46 chromosomen)
Dochtercel: de cellen die uit de moedercel ontstaan
Mitose
Vormen de nieuwe lichaamscellen
Belangrijk bij groei en herstel
Dochtercel hetzelfde als moedercel (46 chromosomen)
Meiose / reductiedeling
Vormen van nieuwe geslachtscellen
Het aantal chromosomen is gehalveerd, belangrijk bij voortplanting
De dochtercellen zijn verschillend van moedercel

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Kruisingsschema

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Selectie
Natuurlijke selectie
De natuur zelf selecteert op eigenschappen (bijvoorbeeld kleur vacht in de sneeuw


Kunstmatige selectie
Bepaalde (goede) eigenschappen worden geselecteerd bij de kruising (door de mens)
Bij het fokken van dieren of veredeling van planten

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Evolutie
Mutatie
Een verandering in het erfelijke materiaal (toeval) kan leiden tot nieuwe eigenschappen
Isolatie
Een deel van een populatie raakt gescheiden en vormt een nieuwe populatie
Natuurlijke selectie
In elke populatie zijn variaties in eigenschappen. In een veranderende omgeving zijn andere eigenschappen belangrijker en krijgen succesvolle individuen meer nakomelingen
Variatie
Individuen van een populatie vertonen kleine verschillen, een deel van de verschillen is erfelijk



Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Evolutie

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Om te onthouden
Mitose: het maken van nieuwe lichaamscellen
Meiose: het maken van nieuwe geslachtscellen


Van klein naar groot: gen --> chromosoom --> totaal erfelijk materiaal


Bij kruising: bedenk altijd eerst met wat voor kruising je te maken hebt (welke eigenschap is dominant/recessief, wat is het genotype van de ouders), werk dit uit in een kruisingsschema en kijk wat het genotype van de nakomelingen is.


Slide 14 - Slide

This item has no instructions

De celkern
De erfelijke eigenschappen liggen op de chromosomen in de celkern.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Een chromosoom bestaat uit:
DNA en eiwit

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Gen
Gen:
Stukje DNA die de informatie bevat voor
1 erfelijke eigenschap.

Elk chromosoom bevat een groot aantal genen, bijvoorbeeld een gen voor haarkleur, haarvorm, huidskleur.

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Allelen
Allel: Variatie van een gen: elk gen bestaat uit twee allelen. 

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Het ontstaan van het genotype
Genotype:
De informatie voor alle erfelijke eigenschappen.
Het genotype komt tot stand bij de bevruchting.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Gelijke of ongelijke allelen??

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Homozygoot en heterozygoot

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Hoeveel chromosomenparen zitten in een lichaamscel?
Chromosomen
Een lichaamscel van de mens bevat 46 chromosomen.

Chromosomen komen voor in paren.
De twee chromosomen van een paar zijn aan elkaar gelijk.

Ze bevatten ook de informatie voor dezelfde erfelijke eigenschappen.
Chromosomenportret of karyoram

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Geslachtscellen
Een geslachtscel bevat 23 chromosomen.

Chromosomen komen niet in paren voor in geslachtscellen.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Bevruchting
De chromosomen van de zaadcel en de eicel komen bij elkaar.
Wat is bevruchting?
Hoeveel chromosomen bevatten de kern van eicel en de zaadcel?

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Geslachtschromosomen
Het 23e chromosomenpaar geeft de geslachtschromosomen aan.

Deze bepalen het geslacht.

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Eicel bevat altijd X- geslachtschromosoom

Zaadcel bevat X of Y geslachtschromosoom

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Geslachtschromosomen bepalen het geslacht
Vrouw
- Gelijke   chromosomen
- XX
Man
- Ongelijke   chromosomen
- XY

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Is dit een chromosomenportret van een man of een vrouw?
Leg je antwoord uit.

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Stamboom
Stamboom

Schematisch overzicht van een erfelijke eigenschap binnen een familie.

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Stamboom van een gezin
Wat zijn de genotypen van de gezinsleden?

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Gouden regel
Het afwijkend fenotype kan alleen ontstaan als beide ouders heterozygoot zijn (Aa).
Het afwijkend fenotype is homozygoot recessief (aa).
1
2
3
4
5

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Gouden regel
Het afwijkend fenotype kan alleen ontstaan als beide ouders heterozygoot zijn (Aa).
Het afwijkend fenotype is homozygoot recessief (aa).
Aa
bruin
Aa
bruin
Aa/ AA
bruin
Aa/ AA
bruin
aa
blond

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Wie zijn mannen in deze stamboom?
A
Alle personen weergegeven met een vierkant
B
Alle personen weergegeven met een rondje

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Het gen voor taaislijmziekte is ...
A
Dominant
B
Recessief
C
Kan ik niet uit deze stamboom halen
D
Nog nooit van die woorden gehoord

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

De ouders zijn beiden dragers (Aa) van het gen dat taaislijmziekte veroorzaakt.

Het kind met de ziekte heeft als genotype aa.

Om te onthouden!!!!!!

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

In de afbeelding is in een stamboom de overerving van albinisme bij een gezin weergegeven. De ouders uit dit gezin krijgen een vierde kind.

Hoe groot is de kans dat dit kind pigment heeft?
A
25%
B
50%
C
75%
D
100%

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Persoon nummer 4 heeft als enige blauwe ogen (genotype is bb).
De rest heeft bruine ogen.

Van welke personen in deze stamboom kun je met zekerheid zeggen dat ze het genotype Bb hebben?
A
1 en 2
B
1 en 3
C
2 en 3
D
2 en 5

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Om te houden!!
labrador
  Kruising:

- P= Ouders ( Latijn; parentes = ouders)
- F1= 1e generatie nakomelingen
                        (Latijn: Filii= kinderen)
- F2= 2e generatie nakomelingen
  (Nakomelingen van de F1 generatie die
    zich heeft voortgeplant).




Slide 38 - Slide

This item has no instructions

Een kruisingsschema maken
Door een kruisingsschema te maken kun je voorspellen welke fenotypen de nakomelingen van een kruising krijgen.
Een zwartharige labrador X een geelharige labrador.
Een kruisingsschema is een tabel waarin je alle mogelijke combinaties van allelen bij één kruising noteert.

Slide 39 - Slide

This item has no instructions

Een kruisingsschema maken
Boek: bladzijde 186 en 187

Slide 40 - Slide

This item has no instructions

               Een kruisingsschema maken
Verhouding genotype:       AA    :     Aa   :    aa
                                                     1     :      2     :     1
Verhouding fenotype: zwart  :   geel
                                              3       :      1
                                             75%   :    25%
zwart= (A) (dominant)
geel= (a)

kruising 1:  zwart (homozygoot) x geel
kruising 2:  F1 nakomelingen paren onderling
Hoe groot is de kans  op elke vachtkleur in de F2?

Slide 41 - Slide

This item has no instructions

Slide 42 - Slide

This item has no instructions


Bij erwtenplanten is het allel voor rode bloemkleur (A) dominant over het allel voor witte bloemkleur (a).

Wat is het genotype van een erwtenplant met een rode bloemkleur?
A
AA
B
Aa
C
aa

Slide 43 - Quiz

This item has no instructions

         Evolutionaire stamboom van groepen roofdieren                blz 245
Drie groepen roofdieren zijn:
- de hondachtigen
- de wasbeerachtigen 
- de zeehonden.

Aan welke van deze groepen zijn de beren het meest verwant?

Slide 44 - Slide

4. Inclusieve didactiek
De docent past diverse strategieën toe om de betrokkenheid van alle leerlingen te garanderen. Door regelmatig het begrip van de lesstof te controleren en zo nodig de uitleg aan te passen, blijft de stof toegankelijk voor iedereen. Flexibele en heterogene differentiatie ondersteunt dit proces. Interactie in de klas wordt versterkt door het gebruik van thuistalen. Verder creëert de docent een contextrijke en inclusieve leeromgeving door (culturele) achtergronden in de lesstof te integreren. Door positief en proactief op leerlinggedrag te reageren, wordt het voor leerlingen makkelijker om gewenst gedrag te tonen en actief deel te nemen aan de les.
         Evolutionaire stamboom van groepen roofdieren
Welke twee diergroepen hebben de meeste overeenkomsten in hun DNA?




Slide 45 - Slide

4. Inclusieve didactiek
De docent past diverse strategieën toe om de betrokkenheid van alle leerlingen te garanderen. Door regelmatig het begrip van de lesstof te controleren en zo nodig de uitleg aan te passen, blijft de stof toegankelijk voor iedereen. Flexibele en heterogene differentiatie ondersteunt dit proces. Interactie in de klas wordt versterkt door het gebruik van thuistalen. Verder creëert de docent een contextrijke en inclusieve leeromgeving door (culturele) achtergronden in de lesstof te integreren. Door positief en proactief op leerlinggedrag te reageren, wordt het voor leerlingen makkelijker om gewenst gedrag te tonen en actief deel te nemen aan de les.