Start van een bobslee, Turijn 2006 (foto: Jack Gillund, US Army, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Examentraining
Kracht en versnelling: zo pak je examenvragen aan
Start van een bobslee, Turijn 2006 (foto: Jack Gillund, US Army, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Examentraining
Kracht en versnelling: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jack Gillund, US Army / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Wat ga je kunnen?
Ik kan Fres, a of m berekenen, valbewegingen doorrekenen en Fres uit een (v,t)-diagram halen.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Teken: welke krachten werken er en welke kant wijzen ze op?
2. Stel Fres op: aandrijfkracht min weerstand, of Fz min Flucht.
3. Kies de formule: Fres = m·a, Fz = m·g of a = Δv/Δt.
4. Reken: SI-eenheden (km/h naar m/s), antwoord met eenheid en juiste significante cijfers.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Vraagtype 1: Fres = m·a berekenen
Gegeven twee van de drie: Fres, m of a.
Herleid de formule: a = Fres/m of m = Fres/a.
Reken in N, kg en m/s².
Syllabus C1.5.
Een trein (m = 2,4·10⁵ kg) trekt op met a = 0,50 m/s². Bereken Fres.
4,8·10⁵ N
1,2·10² N
1,2·10⁵ N
2,4·10⁵ N
Fres = m·a = 2,4·10⁵ × 0,50 = 1,2·10⁵ N (controle 2,4 × 0,5 = 1,2). Fouten: delen (4,8·10⁵), massa in ton rekenen (1,2·10²) en alleen de massa overnemen. Syllabus C1.5.
Een auto trekt op met Fres = 3,0·10³ N en a = 2,5 m/s². Bereken de massa.
1,2·10³ kg
7,5·10³ kg
1,2·10⁴ kg
8,3·10⁻⁴ kg
m = Fres/a = 3,0·10³/2,5 = 1,2·10³ kg (controle: 1,2·10³ × 2,5 = 3,0·10³). Fouten: vermenigvuldigen (7,5·10³), een tiental verkeerd (1,2·10⁴) en delen op de verkeerde manier (8,3·10⁻⁴). Syllabus C1.5.
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Vraagtype 2: vallen met luchtweerstand
Fres = Fz − Flucht, met Fz = m·g.
Dan a = Fres/m.
Bij de eindsnelheid: Flucht = Fz.
Syllabus C1.2 en C1.5.
Een bal (m = 0,50 kg) valt met Flucht = 1,5 N. Hoe groot is a op dat moment?
9,8 m/s²
3,0 m/s²
13 m/s²
6,8 m/s²
Fz = 0,50 × 9,81 = 4,9 N (4,905); Fres = 4,9 − 1,5 = 3,4 N; a = 3,4/0,50 = 6,8 m/s² (ongerond: 3,405/0,50 = 6,81). Fouten: vrije val (9,8), Flucht/m (3,0) en optellen (13). Syllabus C1.5.
Een springer van 80 kg heeft bij 30 m/s een a van 4,0 m/s². Bereken Flucht.
3,2·10² N
4,6·10² N
7,8·10² N
1,1·10³ N
Fz = 80 × 9,81 = 785 N; Fres = m·a = 80 × 4,0 = 3,2·10² N; Flucht = Fz − Fres = 785 − 320 = 465 N, dus 4,6·10² N. Fouten: Fres als Flucht (3,2·10²), Fz als Flucht (7,8·10²), optellen (1,1·10³). Syllabus C1.5.
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Vraagtype 3: Fres uit een (v,t)-diagram
Lees de helling af: a = Δv/Δt.
Fres = m·a; bij a = 0 is Fres = 0.
Negatieve helling: Fres tegen de rijrichting in.
Syllabus C1.2 en C1.5.
De bus (m = 2,0·10³ kg) remt volgens het diagram. Bepaal Fres bij het remmen.
6,0·10³ N tegen de rijrichting in
6,0·10³ N in de rijrichting
3,0·10³ N tegen de rijrichting in
1,2·10³ N tegen de rijrichting in
Remmen van 16 s tot 20 s: a = (0 − 12)/4,0 = -3,0 m/s², Fres = 2,0·10³ × 3,0 = 6,0·10³ N tegen de rijrichting in. Fouten: richting (a is negatief), de helling van het eerste stuk (3,0·10³) en Δt = 20 s (1,2·10³). Syllabus C1.2 en C1.5. Image credit: Eigen figuur
Tussen 8,0 s en 16 s is Fw = 8,0·10² N. Hoe groot is de aandrijfkracht?
0 N
3,8·10³ N
8,0·10² N
2,2·10³ N
Tussen 8,0 s en 16 s is v constant, dus Fres = 0 en Faandrijf = Fw = 8,0·10² N. Fouten: Faandrijf = Fres = 0, en de Fres van het eerste stuk erbij of eraf halen (3,8·10³ en 2,2·10³). Syllabus C1.4. Image credit: Eigen figuur
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Vraagtype 4: optrekken en remmen
Fres = Faandrijf − Fw bij optrekken.
Bij remmen: reken km/h om naar m/s en bepaal a.
Remweg: oppervlakte onder het (v,t)-diagram.
Syllabus C1.2, C1.3 en C1.5.
Een fietser met fiets (75 kg) trapt met 1,0·10² N en Fw = 35 N. Bereken a.
1,3 m/s²
0,87 m/s²
0,47 m/s²
1,8 m/s²
Fres = 1,0·10² − 35 = 65 N; a = 65/75 = 0,87 m/s². Fouten: de weerstand vergeten (1,3), alleen de weerstand delen (0,47) en optellen (1,8). Syllabus C1.5.
Een bestelbus (2,4·10³ kg) remt vanaf 54 km/h met Fres = 6,0·10³ N. Bereken de remweg.
90 m
5,8·10² m
2,8·10² m
45 m
54 km/h = 15 m/s; a = 6,0·10³/2,4·10³ = 2,5 m/s²; remtijd 15/2,5 = 6,0 s; remweg = oppervlakte = ½ × 15 × 6,0 = 45 m. Controle: de gemiddelde snelheid is 7,5 m/s, 7,5 × 6,0 = 45 m. Fouten: ½ vergeten (90 m), km/h niet omrekenen (5,8·10²) en a = m/Fres (2,8·10²). Syllabus C1.2 en C1.5.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Fres = m·a berekenen
Vallen met luchtweerstand
Fres uit een (v,t)-diagram
Optrekken en remmen
Bespreek het meest gekozen type nog een keer met een krachtenschema.
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN VERSNELLING
Tips voor op het examen
Teken eerst de krachten en schrijf op welke Fres je bedoelt: een losse kracht of de resultante.
Constante snelheid betekent Fres = 0, ook als er grote krachten werken.
Reken km/h om naar m/s (delen door 3,6) en let op de eenheid van het antwoord.
This item has no instructions