Het ruimtestation ISS in een baan om de aarde, 2006 (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Examentraining
Cirkelbanen en gravitatie: zo pak je examenvragen aan
Het ruimtestation ISS in een baan om de aarde, 2006 (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Examentraining
Cirkelbanen en gravitatie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: NASA / pingnews.com / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan v, Fmpz, Fg, g en de baan van een satelliet berekenen en met evenredigheden redeneren.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Teken: welke kracht wijst naar het middelpunt?
2. Kies: v = 2π·r/T, Fmpz = m·v²/r, Fg = G·m·M/r² of g = G·M/r².
3. Stel gelijk: bij een baan is Fg = Fmpz.
4. Reken: m, s en kg, juiste significante cijfers, eenheid erbij.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Vraagtype 1: baansnelheid en omlooptijd
v = 2π·r/T, met T in s en r in m.
Herleid naar T = 2π·r/v als v gegeven is.
Reken minuten en uren om naar seconden.
Syllabus E1.2: v = 2πr/T.
Een reuzenrad heeft r = 12 m en T = 90 s. Bereken de baansnelheid van een gondel.
0,13 m/s
75 m/s
6,8·10³ m/s
0,84 m/s
v = 2π·r/T = 2π · 12 / 90 = 0,84 m/s (controle: omtrek 75 m in 90 s is 0,84 m/s). Fouten: 2π vergeten (0,13), alleen de omtrek (75) en 2π·r·T (6,8·10³). Syllabus E1.2.
Een satelliet heeft r = 1,3·10⁷ m en v = 5,6·10³ m/s. Bereken T in uur.
2,0 uur
4,1 uur
2,4·10² uur
1,5·10⁴ uur
T = 2π·r/v = 2π · 1,3·10⁷ / 5,6·10³ = 1,46·10⁴ s; 1,46·10⁴ / 3600 = 4,1 uur (controle: 4,1 · 3600 · 5,6·10³ / (2π) = 1,3·10⁷ m). Fouten: 2π vergeten (2,0), minuten als uren (2,4·10²) en seconden als uren (1,5·10⁴). Syllabus E1.2.
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Vraagtype 2: middelpuntzoekende kracht
Fmpz = m·v²/r: v in het kwadraat.
Herleid: v = √(Fmpz·r/m).
In een bocht levert alleen de wrijvingskracht van de weg de Fmpz.
Syllabus E1.2.
Een auto van 1,0·10³ kg rijdt met 15 m/s door een bocht met r = 45 m. Bereken Fmpz.
3,3·10² N
1,5·10⁴ N
5,0·10³ N
2,3·10⁵ N
Fmpz = m·v²/r = 1,0·10³ · 15² / 45 = 5,0·10³ N (controle: 5,0·10³ · 45 / 1,0·10³ = 225 = 15²). Fouten: v niet kwadrateren (3,3·10²), alleen m·v (1,5·10⁴) en r vergeten (2,3·10⁵). Syllabus E1.2.
Bocht met r = 40 m, Fwrijving,max = 8,0·10³ N, auto 1,0·10³ kg. Bereken de maximale v.
18 m/s
3,2·10² m/s
8,0 m/s
2,8 m/s
v = √(Fmpz·r/m) = √(8,0·10³ · 40 / 1,0·10³) = √320 = 18 m/s (controle: 18² · 1,0·10³ / 40 = 8,1·10³). Fouten: de wortel vergeten (3,2·10²), a = F/m (8,0) en r vergeten (2,8). Syllabus E1.2.
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Vraagtype 3: gravitatiekracht en g
Fg = G·m·M/r², met r de afstand tot het middelpunt.
g = G·M/r², met r de straal van de planeet.
Herleid naar M = g·r²/G. G staat in je informatieboek.
Syllabus E1.3.
Satelliet van 8,0·10² kg op r = 7,0·10⁶ m om de aarde (5,97·10²⁴ kg). Bereken Fg.
7,8·10³ N
6,5·10³ N
8,1 N
4,6·10¹⁰ N
Fg = G·m·M/r² = 6,67·10⁻¹¹ · 8,0·10² · 5,97·10²⁴ / (7,0·10⁶)² = 6,5·10³ N (controle: Fg/m = 8,1 m/s², 8,1 · 8,0·10² = 6,5·10³). Fouten: m·9,81 (7,8·10³), de massa m vergeten (8,1) en r niet kwadrateren (4,6·10¹⁰). Syllabus E1.3.
Op Mars is g = 3,7 m/s² en de straal 3,4·10⁶ m. Bereken de massa van Mars.
6,4·10¹⁷ kg
1,9·10¹⁷ kg
2,9·10³ kg
6,4·10²³ kg
M = g·r²/G = 3,7 · (3,4·10⁶)² / 6,67·10⁻¹¹ = 6,4·10²³ kg (controle: 6,67·10⁻¹¹ · 6,4·10²³ / (3,4·10⁶)² = 3,7). Fouten: straal in km laten staan (6,4·10¹⁷), r niet kwadrateren (1,9·10¹⁷) en met G vermenigvuldigen (2,9·10³). Syllabus E1.3.
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Vraagtype 4: Fg gelijkstellen aan Fmpz
Bij een baan is Fg de Fmpz: m·v²/r = G·m·M/r².
Dus v = √(G·M/r) en v = 2π·r/T.
De massa van de satelliet of maan valt weg.
Syllabus E1.3.
De maan (r = 3,8·10⁸ m) heeft T = 27 dagen. Bereken de massa van de aarde.
6,0·10²⁴ kg
4,5·10³⁴ kg
1,6·10¹⁶ kg
1,5·10²³ kg
M = 4π²·r³/(G·T²) met T = 27 · 86400 = 2,3·10⁶ s: 4π² · (3,8·10⁸)³ / (6,67·10⁻¹¹ · (2,33·10⁶)²) = 6,0·10²⁴ kg (controle met v = 2π·r/T = 1,02·10³ m/s: M = v²·r/G = 6,0·10²⁴). Fouten: T in dagen laten staan (4,5·10³⁴), r² in plaats van r³ (1,6·10¹⁶) en 4π² vergeten (1,5·10²³). Syllabus E1.3.
A en B draaien om dezelfde planeet, rB = 9·rA. Hoe verhoudt vB zich tot vA?
vB is 9 keer zo klein als vA
vB is 81 keer zo klein als vA
vB is 3 keer zo klein als vA
vB is 3 keer zo groot als vA
v = √(G·M/r), dus v ~ 1/√r: r · 9 geeft v / 3. Fouten: v ~ 1/r (9), v ~ 1/r² (81) en de richting omdraaien (3 keer groter). Syllabus E1.3.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Baansnelheid en omlooptijd
Middelpuntzoekende kracht
Gravitatiekracht en g
Fg gelijkstellen aan Fmpz
Bespreek het meest gekozen type nog een keer met een tekening van de krachten en een rekenvoorbeeld.
EXAMENSTOF · E1 · CIRKELBANEN
Tips voor op het examen
Rekenen: zet km, minuten en uren eerst om naar m en s, anders klopt de eenheid van je antwoord niet.
r in Fg en in de baanformules is de afstand tot het middelpunt: straal plus hoogte.
Redeneren: v staat in het kwadraat in Fmpz, r staat in het kwadraat in Fg en g.
This item has no instructions