H1.2 Niet ieder inkomen is hetzelfde
4GT
H1.2 Niet ieder inkomen is hetzelfde
4GT
Planning:
Huiswerkcontrole
Leerdoelen
Uitleg H1.2
Aan de slag H1.2
Lesafsluiting
Leerdoelen
•Wat het verschil is tussen bruto, netto en besteedbaar inkomen.
•Wat het verschil is tussen primaire en secundaire inkomens.
•Wat oorzaken zijn van inkomensverschillen.
Ecologische voetafdruk = Hoeveel van de aarde jij gebruikt door de manier waarop je leeft.
Hoe groter je ecologische voetafdruk, hoe meer je van de aarde gebruikt.
Hoe kleiner je voetafdruk, hoe beter voor de natuur en de aarde.
Je leert in deze paragraaf:
Wat het verschil is tussen bruto, netto en besteedbaar inkomen
Wat het verschil is tussen primaire en secundaire inkomens
Wat oorzaken kunnen zijn van inkomensverschillen
hoe je uit een grafiek inkomensverschillen kunt aflezen
Maar is dit dan je besteedbaar inkomen?
Inkomensverschillen
Oorzaken van verschillen tussen inkomens:
opleiding en ervaring
verantwoordelijkheden
meer of minder aantrekkelijk werk (zwaarte, risico’s)
vraag en aanbod
Inkomens vergelijken
Vaak wordt vergeleken met het modaal inkomen
= het inkomen dat het meest voorkomt (2026: ± € 4.000 bruto per maand)
Minimuminkomen = inkomen rond het sociaal minimum
= wat je volgens de overheid minstens nodig hebt om van te leven. (alleenstaande ± €17.000 bruto per jaar)
Aan de slag
H1.2 Niet ieder inkomen is hetzelfde
Opdrachten 1 t/m 8
Blz. 14 t/m 16
minute
second
Nationaal inkomen
= wat alle inwoners van een land samen aan
inkomen uit arbeid en bezit hebben
(huur, loon, rente en winst).
Personele inkomensverdeling
de verdeling van het nationaal inkomen
over de bevolking.
Slide titel
Slide tekst
Kleine en grote inkomensverschillen
Nationaal inkomen = wat alle inwoners samen aan inkomen hebben uit arbeid en bezit.
De Lorenzcurve laat zien hoe de inkomens verdeeld zijn.
1 = Geen inkomensverschillen: iedereen heeft hetzelfde inkomen.
Nadeel: geen verschil = geen prikkel om te presteren.
2 = Inkomensverschillen zijn klein.
3 = Inkomensverschillen zijn groot.
Examenvraag - blz. 34 opdracht 1
Lees de vraag goed
Onderstreep wat precies gevraagd wordt.
Let op begrippen zoals verklaar, bereken, beschrijf of beargumenteer.
Zoek de economische begrippen
Noteer de belangrijkste begrippen uit de vraag en de bron.
Denk na welke theorie of formule hierbij hoort.
Werk het antwoord uit
Gebruik een duidelijke redenering:
Oorzaak → gevolg.
Of: gegevens → berekening → uitkomst.
Schrijf in volledige zinnen als om een uitleg wordt gevraagd.
Controleer
Heb je alle delen van de vraag beantwoord?
Kloppen eenheden, berekeningen en economische begrippen?
minute
second
Examenvraag
4e inkomensgroep: € 39.000 ÷ € 170.000 × 100% = 23%
45% + 23% = 68%
of
totaal inkomen tot en met de 4de inkomensgroep:
€ 19.000 + € 25.000 + € 32.000 + € 39.000 = € 115.000
inkomensaandeel tot en met de 4de inkomensgroep:
€ 115.000 ÷ € 170.000 × 100% = 68%
Lesafsluiting
Ga naar Blz. 38
Schrijf 3 woorden op die laat zien wat je vandaag hebt geleerd.