21 april

Vandaag
Werkwoorden hebben en zijn
Andere werkwoorden
Les 2 google docs
Boek









1 / 39
next
Slide 1: Slide
NT2Enseignement Secondaire

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Vandaag
Werkwoorden hebben en zijn
Andere werkwoorden
Les 2 google docs
Boek









Slide 1 - Slide

Hebben of zijn

Slide 2 - Slide

Ik ................... 1.70 m lang.
heb
ben

Slide 3 - Poll

Jij ................. een kok.
hebt
bent

Slide 4 - Poll

Zij ........... heel aardig.
A
hebben
B
zijn
C
heeft
D
is

Slide 5 - Quiz

Hij ................. een grote familie. 
Ik ........ een fiets. 
Jij ..................... een nieuwe job.
Jullie ..................... mooie bloemen. 
heeft
heb
hebt 
is
ben
bent
zijn
hebben

Slide 6 - Drag question

Zij .................. een vrouw.

Slide 7 - Open question

Mijn ouders ................. leuk.
A
hebben
B
zijn
C
is
D
heeft

Slide 8 - Quiz

Hij .................. 25 jaar.

Slide 9 - Open question

Wij ............... sportief.
hebben
zijn

Slide 10 - Poll

Ik ............... de griep.
heb
ben

Slide 11 - Poll

Jullie ............... groene ogen.

Slide 12 - Open question

Wij ................ ziek.
hebben
zijn

Slide 13 - Poll

Zij (groep) .................. lang haar.

Slide 14 - Open question

Zij .............. een blauwe rok.
A
hebben
B
zijn
C
heeft
D
is

Slide 15 - Quiz

Zij .................... veel energie.

Slide 16 - Open question

Ik ................. getrouwd.

Slide 17 - Open question

Jij .............. mijn vriend.

Slide 18 - Open question

Zij (groep) ................... heel slim.
A
hebben
B
zijn
C
heeft
D
is

Slide 19 - Quiz

Ik ............... geen kinderen.

Slide 20 - Open question

Ik .............. een huis.
heb
ben
is

Slide 21 - Poll

Wij .............. een kat.
hebben
zijn
heeft

Slide 22 - Poll

Zij ............. 2 broers.

Slide 23 - Open question

Ik ............. moe.
A
heb
B
ben
C
heeft
D
is

Slide 24 - Quiz

Zij ........... mijn buurvrouw.

Slide 25 - Open question

Wij ................... een feest op zaterdag.
A
hebben
B
zijn
C
heeft
D
is

Slide 26 - Quiz

Jullie .................. goede studenten.

Slide 27 - Open question

Hij ............ een nieuwe smartphone.
heeft
is

Slide 28 - Poll

Ik .................... Ella.

Slide 29 - Open question

Werkwoorden O.T.T. vervoegen

Slide 30 - Slide

KAMALA


A
vallen
B
valt
C
val

Slide 31 - Quiz

Zij (mv.)
A
bid
B
bidt
C
bidden

Slide 32 - Quiz

Hij
A
praat
B
praten

Slide 33 - Quiz

De kinderen
De kinderen
schrikt
schrikken
schrik

Slide 34 - Drag question

De kinderen
Hij
bellen
bel
belt

Slide 35 - Drag question

Vul aan.
Mama... (troosten)

Slide 36 - Open question

Vul aan.
Zij (mv.)... (eten)

Slide 37 - Open question

Boek
https://docs.google.com/document/d/1C3nghzQ6oe45ObzP1RxuW_otgkHAIwx2IYBz3vqz0nM/edit?usp=sharing

Start
Maken opdrachten 1 t/m 3

Slide 38 - Slide

21 april

Slide 39 - Slide