1) Wie is er in je gezin? (mijn man/vrouw, kinderen). Ik heb...
2) Hoeveel mensen zijn er? (3, 4, 5..?) Er zijn ...
3) Waar wonen jullie? (In Sneek, in Leeuwaarden...) We wonen ...
4) Wat doen jullie samen? (We eten samen in de avond. We wandelen in het park. We drinken koffie.)