Woordenschat - Woorden met meerdere betekenissen

Woorden met meerdere betekenissen
1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Woorden met meerdere betekenissen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Je leert de betekenis van woorden met meerdere betekenissen afleiden uit de tekst.

Slide 2 - Slide

Jan, wil jij even naar de bank lopen?

Slide 3 - Slide

Meerdere betekenissen
Sommige woorden hebben meerdere betekenissen.
homoniem

Je kan in de war raken. 

Slide 4 - Slide

Homoniemen
arm
slot
kussen
slot
licht

Slide 5 - Slide

De juryleden prijzen de winnaar. Ze vinden het vooral knap dat hij het lied zelf geschreven heeft.


Slide 6 - Slide

Woordenboek
Als je een woord in het woordenboek opzoekt, zorg dan dat je de juiste betekenis kiest.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

De vormgever was bezig met het opmaken van de pagina's.

Slide 9 - Slide

Voor een feest wil Minke zich altijd graag mooi opmaken.

Slide 10 - Slide

Welk homoniem past in de zin?

Het geld dat ik in de vakantie verdiend heb, heb ik vandaag op mijn bankrekening gestort.

______
A
gedumpt
B
gezet

Slide 11 - Quiz

Welk homoniem past in de zin?

Erik heeft een gemene streek uitgehaald; zijn zusje is erg geschrokken.

______
A
gebied
B
daad waarover je boos bent

Slide 12 - Quiz

Welk homoniem past in de zin?

De douane neemt bij een controle veel pillen in.

______
__
A
neemt in bezit
B
gebruikt

Slide 13 - Quiz

Welk homoniem past in de zin?

Hij wilde het huurcontract opzeggen, omdat hij het geld niet meer kon opbrengen.

_________
A
einde maken aan een afspraak
B
iets uit je hoofd opzeggen

Slide 14 - Quiz

Welk homoniem past in de zin?

De getuige kon bevestigen dat hij de verdachte die avond had gezien.

_________
A
zeggen dat het klopt
B
vastmaken

Slide 15 - Quiz

Aan de slag
Nieuw Nederlands online
Hoofdstuk 4
Woordenschat - Woorden met meerdere betekenissen

Slide 16 - Slide