A2c/a2b periode 1- Capítulo 3- Les 8 - KOL - DO 20/10/2022

Bienvenidos



¿Qué aprendiste la clase anterior?

1 / 24
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

Bienvenidos



¿Qué aprendiste la clase anterior?

Slide 1 - Slide

Leerdoelen van vorige les:
- je kent de woorden voor je familie 
- Je kent de bezittelijk voornaamwoorden en kan deze gebruiken in zinnen over je familie 
- je kent bijwoorden van hoeveelheid en kunt deze gebruiken over je familie 
- je kunt de voegwoorden 'y, pero, ni' gebruiken in zinnen. 
- je weet wanneer je 'un' gebruikt en wanneer ' uno' 
- je weet wanneer je 'y' en wanneer je 'e' gebruikt.

Slide 2 - Slide

Schrijf de vertalingen op in je schrift: 

- Hij is heel knap
- Ze is blond en heeft blauwe ogen
- Mijn opa is gek van voetbal
- Ik woon met mijn ouders en mijn zus 

Slide 3 - Slide

Leerdoelen van deze week :
- je kent de woorden voor je familie 
-  Je kent de bezittelijk voornaamwoorden en kan deze gebruiken in zinnen over je familie 
- je kent bijwoorden van hoeveelheid en kunt deze gebruiken over je familie 
- je kent de vervoegingen van de w.w.

JE BENT KLAAR VOOR DE TOETS VAN HOOFDSTUK 3


Slide 4 - Slide

El programa 














  • 5 min    - Terugblik/ Vooruitblik
  • 15 min   - Corregir los deberes

  • 20  min  - Herhaling



  • 10 min    - Frases clave
  • 10 min    - Vocabulario
  • 5 min      - Evaluación







  • Los deberes

Slide 5 - Slide

15 min - Corregir los deberes
¿Qué?               Stamboom van je eigen familie 
                            WB p.31/32 oef 4
                            voc p.11,12,13 oef 1,2,4,5
                            voc p. 14 oef 1,2
                             TB. p. 46 oef 3ab
¿Cómo?           En clase completa
¿Tiempo?        15 min
¿Meta?             aprender de tus errores

¡Corrige con un bolígrafo de otro color!

Slide 6 - Slide

Herhaling
- bijv. nw
- bijwoord v. hoeveelheid
- bezitt. vnw
-w.w.

Slide 7 - Slide

Het bijvoeglijk naamwoord 



Een knappe man.
Un hombre guapo.

Slide 8 - Slide

let op: m/v en ev/mv
la chica guapa - las chicas guapas
el chico guapo - los chicos guapos

el libro original - los libros originales

Slide 9 - Slide

Het bezittelijk voornaamwoord enkelvoud
mi coche               - mijn auto
tu coche                - jouw auto
su coche               - zijn/haar/uw auto
nuestro coche    - onze auto                        nuestra casa - ons huis
vuestro coche    - jullie auto                         vuestra casa  - jullie huis
su coche               - hun/uw auto

Slide 10 - Slide

Het bezittelijk voornaamwoord meervoud
mis coches                           - mijn auto's
tus coches                            - jouw auto's
sus coches                            - zijn/haar/uw auto's
nuestros coches                 - onze auto's                  nuestras casas - onze huizen
vuestros coches                - jullie auto's                     vuestras casas - jullie huizen
sus coches                           - zijn/haar/uw auto's

Slide 11 - Slide

Even samengevat.......
  • Je kijkt naar het zelfstandig naamwoord wat achter het bezittelijk voornaamwoord staat. 
  • Is het zelfstandig naamwoord meervoud, dan is ook het bezittelijk voornaamwoord meervoud.
  • Bij nuestro/-s en vuestro/-s verandert het in nuestra/-s en vuestra/-s als het zelfstandig naamwoord wat erachter komt vrouwelijk is. 

Slide 12 - Slide

Bijwoorden v. hoeveelheid
Met de woorden muy, bastante, un poco, no, nada geef je aan in hoeverre iemand een bepaalde eigenschap bezit.

María es muy alta. 
Su hermana es bastante inteligente. 
Martín no es muy guapo.

'Un poco' gebruik je alleen bij een negatieve eigenschap.
Es un poco feo/a.


Slide 13 - Slide

VERBOS

Slide 14 - Slide

verbos -ar,-er,-ir
yo
él/ella/usted

nosotros/-as
vosotros/-as
ellos/ellas/ustedes
-AR
hablo
hablas
habla

hablamos
habláis
hablan
-ER
-o
-es
-e

-emos
-éis
-en

-IR
-o
-es
-e

-imos
-ís
-en

Slide 15 - Slide

verbos: ser / tener
yo
él/ella/usted

nosotros/-as
vosotros/-as
ellos/ellas/ustedes
ser
soy
eres
es

somos
sois
son
tener (ie)
tengo
tienes
tiene

tenemos
tenéis
tienen

Slide 16 - Slide

llamarse
yo
él/ella/usted

nosotros/-as
vosotros/-as
ellos/ellas/ustedes
me 
te
se
            +
nos 
os 
se 
llamo
llamas
llama

llamamos
llamáis
llaman

Slide 17 - Slide

10 min - Hacer ejercicios 


¿Qué?              Somos gen.: p. 9 ej 3 + 4, p. 13 oef 6    

¿Cómo?          Individualmente

¿Tiempo?      10 min 
¿Meta?           Practicar con la gramática

¿Listo?            Estudiar el vocabulario 3.1,3.2,3.3
timer
10:00

Slide 18 - Slide

10 min - Frases clave 
timer
10:00

Slide 19 - Slide

10 min - Vocabulario 

- Voca 3.1,3.2,3.3 (beide kanten)
- Frases clave 3 p. 7

Leer in stilte!


timer
10:00

Slide 20 - Slide

Leerdoelen van deze week :
- je kunt de voegwoorden 'y, pero, ni' gebruiken in zinnen. 
- je weet wanneer je 'un' gebruikt en wanneer ' uno' 
- je bezit de woordenschat en kunt vertellen over je eigen familie. Met wie woon je/ waar woon je/ hoe zie je er zelf uit/ hoe ziet je familie uit/ hoe oud is iedereen/ heb je huisdieren. 
- je kent de vervoegingen van de w.w.

JE BENT KLAAR VOOR DE TOETS VAN HOOFDSTUK 3



Slide 21 - Slide

1. Klaar voor de toets? Zo nee, wat ga/moet je nog doen? Wat heb je nog nodig?
2. Overige opmerkingen

Slide 22 - Open question

Los deberes

Estudiar: 
LEREN VOOR DE TOETS

leren: 
frases clave 3 + vocab. 3.3 + gram nr. 2, 6, 35
maken:
herhalingsoefeningen werkwoorden online (verbuga.eu)
evt. afmaken: bez. vnw. voc. p.13 oef 6
Extra oefenen?  --> y/pero/ni voc. p.14 oef 3




    Slide 23 - Slide

    Werkwoorden 
    Oefenen met ww - Verbuga
    Klik aan bij werkwoorden: beber, comer, hablar, ser, tener, llamarse
    Klik aan bij tijden: presente
    Extra oefenen?

    Slide 24 - Slide