A2: W.22: Lektion 2

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
Welchselunterricht 2021
Herzlich Willkommen! 
Deine Schulsachen bitte auf den Tisch!

1 / 21
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
Welchselunterricht 2021
Herzlich Willkommen! 
Deine Schulsachen bitte auf den Tisch!

Slide 1 - Slide

  • Unterrichtsziele erzählen
  • Voorzetsels + werkwoorden wiederholen
  • Aufgabe machen und besprechen


             


Während der Unterrichtsstunde:

Slide 2 - Slide

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
Unterrichtsziele:
  • Je kunt de voorzetsels met de 3e naamval opnoemen en opschrijven.
  • Je kunt de voorzetsels met de 4e naamval opnoemen en opschrijven.
  • Je kunt de werkwoorden met een bepaalde naamval opschrijven. 



Slide 3 - Slide

Kapitel 5 - Grammatik D und E
  • In Kapitel 4 - Grammatik C und D heb je het volgende geleerd:
          - werkwoorden met de 1e, 3e en 4e naamval
          - persoonlijk voornaamwoord in de 3e en 4e naamval
  • In Kapitel 5 - Grammatik C und D heb je voorzetsels met de 3e en 4e naamval geleerd.
  • In Kapitel 5 - Grammatik D und E herhalen we dit.

Slide 4 - Slide

Kapitel 5 - Grammatik D

Slide 5 - Slide

Kapitel 5 - Grammatik E

Slide 6 - Slide

Kapitel 5 - Grammatik D 
  • Ihr macht während der Unterrichtsstunde:
          - Aufgabe 7, 8 und 9
          - Wir besprechen die Aufgaben zusammen.

Slide 7 - Slide

Üben
A Vertaal het bezittelijk voornaamwoord in het Duits. Vul ook de uitgang van het bezittelijk voornaamwoord in.
1 Wo ist denn [jouw] Tasche (v)?
2 [Onze] Lehrer (m) war krank heute.
3 [Jullie] Schwester ist ganz cool!
4 Es war [mijn] Buch (o).
5 Wann sind [zijn] Freunde (mv) da?
6 Sie arbeiten schnell und [hun] Noten (mv) sind gut.
7 Andreas, [onze] neues Auto ist endlich da!


  • deine
  • Unser
  • Euere
  • mein
  • seine
  • ihre
  • unser

Slide 8 - Slide

Üben
B Lees de zinnen door en vul het bezittelijk voornaamwoord in.
1 Mein Freund hat einen Hund. Das ist ____________ Hund (m).
2 Unser Vater hat eine Schwester. Das ist __________ Schwester (v).
3 Ich habe ein Haus gekauft. Das ist ____________ Haus (o).
4 Lisa und Bart haben zwei Kinder. Das sind ____________ Kinder (mv).
5 Wir haben ein Meerschweinchen (cavia). 
Das ist ________ Meerschweinchen (o).



  • sein
  • seine
  • mein
  • unsere
  • unser

Slide 9 - Slide

Lektion 5  - Grammatik E
in december
in de lente
op maandag
's middags
om 11.30 uur
van 11 tot  13

  • im Dezember
  • im Frühling
  • am Montag
  • am Mittag
  • um halb zwölf
  • von elf bis dreizehn Uhr
Ihr macht jetzt:
Lektion 5: Aufgabe 12

Slide 10 - Slide

Was wisst ihr schon über Berlin?

Slide 11 - Mind map

Anfang Kapitel 5
Such bitte Seiten 99/100 im Arbeitsbuch.
Wir machen aus Lektion 1 Aufgabe 1, 2 und 3

Neue Wörter vorlesen

Slide 12 - Slide

Kapitel 5 Lektion 1 - Hausaufgaben
Ihr macht:
Lektion 1: 
Lektion 5: 10, 11, 12

Ihr lernt aus Kapitel 4:
x Lektionen 1-5
x Grammatik A-E

Slide 13 - Slide

Lektion 4  - 
Grammatik D
[1] jij leest 
[2] ik lees 
[3] zij neemt 
[4] hij eet 
[5] jij slaapt 
  • du liest
  • ich lese
  • sie nimmt
  • er isst
  • du schläfst

Slide 14 - Slide

Lektion 4 
1 Blijf je voor het eten? 
2 Hij geeft haar een cadeau. 
3 Ik vind de taart lekker. 
4 We kopen iets moois voor hem
5 Zij lust graag aardbeien. 
6 Breng je iets voor ons mee? 
7 We nodigen jullie uit. 
8 Ik heb u niet begrepen. 
  • Bleibst du zum Essen? 1e
  • Er gibt ihr ein Geschenk. 3e
  • Ich finde die Torte lecker. 1e
  • Wir kaufen ihm etwas Schönes. 3e
  • Sie mag gern Erdbeeren. 1e
  • Bringst du uns etwas mit? 3e
  • Wir laden euch ein. 4e
  • Ich habe Sie nicht verstanden. 4e
Een persoonlijke voornaamwoorden in de 1e, 3e en 4e naamval

Slide 15 - Slide

Lektion 1 - Übung machen
Such bitte Aufgabe 10 im Arbeitsbuch, Seite 14.
Wir machen/besprechen sie zusammen.



Slide 16 - Slide

Lektion 1 - Grammatik A
Een zin ontleden:
Mein. . . Bruder kaufe ich ein. . . Tüte Chips.
Ich gebe mein. . . Freunde. . . kein. . . Bonbons. 
Kannst du ein. . . Kaiserschmarren (m) für uns machen?

1. Wie/wat [werkwoord]?                 
4. Wat/wie [werkwoord]  (. . .)?           
3. Aan/voor wie [werkwoord] (. . .)? 



Slide 17 - Slide

Lektion 2 - Grammatik C
Werkwoorden met de 1e, 3e of 4e naamval:
In het Duits hebben veel werkwoorden een vaste naamval.



Werkwoorden +1e
Werkwoorden +3e
Werkwoorden +4e
sein          zijn
werden   worden
bleiben    blijven
danken        bedanken
gefallen       bevallen
gehören      behoren
glauben       geloven
gratulieren  feliciteren
helfen          helpen
schmecken smaken
fragen        vragen
es gibt        er is / er zijn
bitten         om hulp                                                vragen/verzoeken

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
Leervragen:
[1] Maak een korte zin in het Duits met de woorden ontbijt, honing & brood.
[2] Hoe zeg je in het Duits dat er in het weekend altijd verse broodjes zijn. 
[3] Maak een zin in het Nederlands met de woorden der Grund & die Zeitung erin.

Wiederholung!
Wortschatz
Antwoorden:
  • [1] Eigen antwoord
  • [2] Am Wochenende gibt es immer frische Brötchen.
  • [3]Een goede reden om de krant te lezen, is om het nieuws te kunnen volgen.

Slide 20 - Slide

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
  1. Wisst ihr es schon..?
  2. Unterrichtsziele
  3. Lektion 6 abschließen


             


Während der Unterrichtsstunde:
wiederholen

Slide 21 - Slide