Hoe zit het ook alweer met: Formatief handelen?

Ondertussen bij ons op het Werenfridus :)


Workshop Formatief handelen

1 / 25
next
Slide 1: Slide
New lesson editorStudielessenBeroepsopleiding

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Ondertussen bij ons op het Werenfridus :)


Workshop Formatief handelen

Leerdoelen

  • Ik weet (weer) wat Formatief handelen inhoudt.

  • Ik herken welke handelingen ik al toepas in mijn lessen.

  • Ik weet in welke aspecten ik mij verder wil verdiepen.

Succescriteria

  • Aan het eind van de dag heb ik minstens één (nieuwe of bestaande) handeling ontdekt die ik verder wil uitwerken.

  • Deze handeling helpt mij om te differentiëren in mijn lessen.

  • Deze aanpak vermindert mijn werkdruk.

Wat weet je al?

Bespreek met een collega:

  • Wat versta jij onder Formatief handelen?

  • Wat pas jij al toe in de les?

  • Als Formatief handelen nog geen onderdeel uitmaakt van jouw lessen, wat wil je dan leren vandaag?

1

m

00

s

Wat houdt Formatief handelen in?

Definitie

Een cyclisch proces waarin de docent en student informatie verzamelen om het leerproces te sturen.

Formatief handelen maakt leerdoelen transparant, stimuleert eigenaarschap en verhoogt het rendement van leren.

Wat levert dit proces ons op?

Formatief proces in 5 stappen

1. Duidelijke leerdoelen stellen

2. Huidige stand van leren bepalen

(valkuilen en denkfouten ontdekken)

3. Feedback geven
(Hier begint het gesprek over wat er nog te doen valt)

4. Actie op feedback

5. Evaluatie en aanpassing



Bespreek met je duo: Herken je een punt dat je lastig vindt en wat is dat dan?

Heb je nu voldoende voorkennis om nieuwe formatieve handelingen te bedenken?


Wat leverde deze poll jou op aan informatie voor het verdere verloop van jouw les?


Wat is een goede manier om voorkennis te activeren?

A

Leg het onderwerp uitgebreid uit.

B

Vragen stellen over eerdere ervaringen.

C

Aangeven wat ze al moeten weten.

D

Alvast nieuwe informatie geven.

Waarom is Formatief handelen belangrijk?

A

Het bevordert actieve betrokkenheid

B

Feedback hoeft dan niet per se individueel.

C

Het is vooral voor docenten interessant.

D

Het is dan eenvoudiger om zwakke leerlingen te traceren.

Welke techniek helpt het beste bij het activeren van voorkennis?

A

Tijdens de les ook niet-relevante kennis betrekken.

B

Gemotiveerde leerlingen antwoord laten geven.

C

Gesloten vragen stellen Ja/Nee.

D

Brainstormsessies organiseren.

Voorbeeld van een brainstormsessie: de scharniervraag

De Scharniervraag over Scharniervragen

Vraag: "Je stelt aan het eind van een uitleg de vraag: 'Zijn er tot nu toe nog onduidelijkheden of vragen?'. Er komen geen vragen en de studenten knikken bevestigend. Je besluit door te gaan naar de volgende opdracht. In hoeverre is dit een effectieve scharniervraag?"

  • A. Zeer effectief, want de student is eigenaar van zijn leerproces en geeft aan klaar te zijn voor de volgende stap.

  • B. Effectief, mits de docent daarna rondloopt om te kijken of de studenten ook echt aan de slag gaan.

  • C. Niet effectief, omdat de docent hiermee de beleving van de student meet in plaats van het daadwerkelijke begrip.

  • D. Niet effectief, omdat een scharniervraag alleen aan het einde van een hele module gesteld mag worden.

Voorbeeld van een brainstormsessie: Scharniervraag

Diagnose van de antwoorden:

  • A? (De 'valkuil'): Je vertrouwt erg op de zelfregulatie van de student. Je Leerlingen denken vaak dat ze het snappen (overconfidence bias), terwijl dat niet zo is.

  • B? (De 'pleister'): Je herkent het risico, maar ziet de oplossing in reactief handelen (rondlopen) in plaats van proactief meten.

  • C? (Het juiste antwoord): Je begrijpt de essentie: een scharniervraag moet data opleveren over wat er in het hoofd van de leerling zit, niet over hoe de hij/zij zich voelt.

  • D? (De theoretische misser): Je kent de definitie van formatief handelen nog niet goed; je verwart het met een eindtoets.



Voorbeeld van een brainstormsessie: Scharniervraag

1. Het Cruciale Concept Welke kennis is essentieel om de volgende stap in de les te kunnen zetten?

2. De Diagnostische Vraag Stel een gesloten vraag die dwingt tot een inhoudelijke keuze (geen ja/nee)

3. De Antwoordopties (Diagnostisch)

* Optie A (Correct): Toont volledig begrip aan.

  • Optie B (De Misconceptie): Gebaseerd op de meest gemaakte denkfout.

  • Optie C (De Halve Waarheid): Correcte info, maar niet het juiste antwoord op déze vraag.

  • Optie D (Verwarring): Gebruik een term of concept dat erop lijkt, maar iets anders betekent.

4. De Beslisregels (De 'Hinge') Wat doe je met de score?

* Bij > 80% goed: Ga door naar de volgende stap/verdieping.

  • Bij 30% - 80% goed: Gebruik Peer Instruction (laat studenten 2 minuten met elkaar discussiëren en stem daarna opnieuw).

  • Bij < 30% goed: Stop de les. Geef herinstructie op een andere manier (bijv. ander voorbeeld of visueel model).

Voorbeeld van een brainstormsessie: Scharniervraag

1. Het Cruciale Concept Begrip van de 'impliciete auteur' versus de 'verteller'.

2. De Diagnostische Vraag

Fragment: "Natuurlijk was het onverstandig om met een slok op achter het stuur te kruipen, maar in een dorp waar de bus nooit rijdt en je vrienden je laten barsten, heb je weinig keus. Een man moet toch thuiskomen."

De vraag: Hoe verhoudt de visie van de auteur zich tot de visie van de verteller in dit fragment?

3. De Antwoordopties (Diagnostisch)

A De auteur presenteert een onbetrouwbaar personage om morele zwakte te tonen.

B De auteur vindt dat de overheid meer bussen moet laten rijden in dorpen.

C De verteller probeert zijn gedrag te rationaliseren met externe factoren.

D Er is hier sprake van een auctoriale vertelinstantie die objectief de feiten deelt.

Voorbeeld van een brainstormsessie: Scharniervraag


De vraag: Hoe verhoudt de visie van de auteur zich tot de visie van de verteller in dit fragment?

3. De Antwoordopties (Diagnostisch)

A De auteur presenteert een onbetrouwbaar personage om morele zwakte te tonen.
Correct: De leerling ziet dat de tekst de smoesjes van de verteller ironiseert.
B De auteur vindt dat de overheid meer bussen moet laten rijden in dorpen.
Misconceptie: De leerling neemt de tekst letterlijk en ziet de verteller als spreekbuis van de auteur.

C De verteller probeert zijn gedrag te rationaliseren met externe factoren.
De halve Waarheid: Dit klopt, maar het beantwoordt de vraag over de auteur niet.

D Er is hier sprake van een auctoriale vertelinstantie die objectief de feiten deelt.

Verwarring: De leerling haalt vertelperspectieven (ik vs. alwetend) door elkaar.

Welke formatieve werkvormen worden veel gebruikt?

  • Gebruik een poll om voorkennis, meningen of onzekerheden te peilen. Bespreek de uitkomsten klassikaal via bijvoorbeeld Mentimeter.

  • Laat voorbeelden zien en vraag welke onderdelen goed of fout zijn:

- bijvoorbeeld een aantal artikelen voor een betoog, of een voorbeeld van een boekvlog.


  • Leerlingen pitchen/leggen uit in carrousselvorm en aan de hand van succescriteria beoordelen hun klasgenoten de pitch.

Wat leveren deze werkvormen mij op?

  • Poll met open vraag: levert mij op waar leerlingen nog vragen over hebben.

  • Voorbeelden: onderbouwt de theorie met praktijkvoorbeelden en inspireert de leerlingen bij de start van hun eigen project.


  • Pitch in carrousselvorm: levert veel tijdwinst op doordat in twee lessen iedereen aan de beurt is geweest en toch alle leerlingen veel feedback ontvangen van hun klasgenoten én van mij.

Welke formatieve werkvormen gebruik jij en wat levert dit jou op?

Veelvoorkomende valkuilen

  • Te summiere feedback,

  • Onduidelijke criteria,

  • Het ontbreken van vervolgstappen

    Dit alles kan jouw formatieve aanpak ondermijnen.

Actie: herken je dit?

Bespreek in tweetallen welke valkuil jij in je eigen lespraktijk herkent en hoe je hiermee omgaat.

Tips voor directe toepassing

- Werk met kleine, duidelijke leeruitkomsten - Formuleer gerichte vragen - Gebruik feedback als motor voor leren

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Bedankt voor je deelname!