TC A2 Thema 3.2 en 3.4 herhaling

Rapport bespreken
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 1

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Rapport bespreken

Slide 1 - Slide

Werkbladen A tot Zin 4.11 a, b, c, d
Praatplaat gezondheid

Slide 2 - Slide

We kijken een video
                                 
                Na de video kun je deze vragen beantwoorden:

1. Wat verkocht de man uit Voorschoten?
2. Wat is er gebeurd met het slachtoffer?
3. Waarom moest hij 1 cent overmaken?

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Vragen:
                                 
  
1. Wat verkocht de man uit Voorschoten?
2. Wat is er gebeurd met het slachtoffer?
3. Waarom moest hij 1 cent overmaken?

Slide 5 - Slide

Herhaling 3.2

Slide 6 - Slide

                          omdat / als
                  Wanneer gebruik je omdat en als?

  •                  omdat geeft een reden aan
  •                          als geeft aan wanneer

Slide 7 - Slide

3.2 want, omdat, als
Omdat/want:
Na omdat en als komt een bijzin. Wie of wat komt op de eerste plaats.

Ik ga vandaag niet sporten, omdat ik moe ben.
Ik ga vandaag niet sporten, want ik ben moe.

Als: 
Met als vertel je wanneer iets gebeurt. 
Ik ga uit bed, als mijn wekker gaat.
Mijn vader wordt boos, als ik te laat kom.

Slide 8 - Slide

WELK WOORD PAST IN DE ZIN?

Slide 9 - Slide

omdat en als
maak de zinnen af

Slide 10 - Slide

Ik ga morgen niet naar school omdat......

Slide 11 - Open question

Ik ga naar de supermarkt als........

Slide 12 - Open question

Amira is heel moe omdat.....................

Slide 13 - Open question

Maak zinnen met 'om........te.....'
Geef antwoord op de vraag

Slide 14 - Slide

3.3 Rapport bespreken
Pagina 100

Slide 15 - Slide

3.4 ...om te...
Na om .... te schrijf je het hele werkwoord. Het hele werkwoord staat op de laatste plaats.
Asriël gaat naar school om te leren.
Ik ga naar de bakker om brood te kopen.

Stelt iemand een vraag met waarvoor? Dan kun je antwoord geven met om ... te.
Waarvoor ga je naar school?   Om Nederlands te leren.
Waarvoor gebruik je je pen? Om te schrijven.

Slide 16 - Slide

Waarvoor gebruik je deze lepel?

Slide 17 - Open question

Waarom ga je naar de bakker?

Slide 18 - Open question

Ahmed is niet op school. Ik denk dat.....
A
hij is ziek.
B
hij ziek is.

Slide 19 - Quiz

Ella heeft honger. Ze vraagt haar moeder of......
A
zij een boterham mag.
B
zij mag een boterham.

Slide 20 - Quiz

Maak een zin met het woord 'binnenkort'

Slide 21 - Open question

Begrijp je de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 22 - Poll