Zinnen maken
Aan het eind van de les kan ik:
Goede zinnen schrijven
Vraagzinnen maken
Geen/niet
Taalcompleet
Zinnen maken
Aan het eind van de les kan ik:
Goede zinnen schrijven
Vraagzinnen maken
Geen/niet
Taalcompleet
Maak een goede zin.
Jij
schrijft
elke ochtend
nieuwe zinnen
in je schrift
.
Maak een goede zin.
De juf
geeft
om 10 uur
de rekentoets
in het lokaal
.
Maak een goede zin.
Wij
leren
elke week
nieuwe werkwoorden
op school
.
Maak een goede zin.
Jullie
pakken
in de pauze
de telefoons
uit de rode bak
.
Maak een goede zin.
De pen
ligt
elke avond
in de blauwe bak
.
Maak een goede zin.
De koffie
staat
om 8:15
op het bureau
.
Maak een goede zin.
De kinderen
spelen
onder schooltijd
op het schoolplein
.
Ik ...
schrijf
lopen
denkt
hebben
Jij
praten
help
weten
loopt
Hij/Zij/Het
denken
praten
zit
loop
Wij/Jullie/Zij
helpt
denk
praat
lopen
Schrijf een goede zin (wie, werkwoord)
Schrijf een goede zin (wie, werkwoord, wanneer)
Schrijf een goede zin (wie, werkwoord, wanneer, waar)
Schrijf een goede zin (wie, werkwoord, wanneer, waar)
Schrijf een goede zin (wie, werkwoord, wanneer, waar)
Schrijf een goede zin (wie, werkwoord, wanneer, waar)