Paragraaf 2.3 - Veranderen van fase

  • Binnen = beginnen
  • Huiswerk H2.1 & H2.2
  • Ga rustige op je plek zitten.
  • Je huiswerk klaar maken voor control.
  • Nova boek blz. 81 t/m 83 doorlezen.
  • Wachtopdracht : maak opgaaf 1 t/m 11 blz. 84 t/m 86.
Plategrond GT2 D
Telefoon uit & in je tas bewaren
1 / 39
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

  • Binnen = beginnen
  • Huiswerk H2.1 & H2.2
  • Ga rustige op je plek zitten.
  • Je huiswerk klaar maken voor control.
  • Nova boek blz. 81 t/m 83 doorlezen.
  • Wachtopdracht : maak opgaaf 1 t/m 11 blz. 84 t/m 86.
Plategrond GT2 D
Telefoon uit & in je tas bewaren

Slide 1 - Slide

2.3 - veranderen van fase

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?
  • Herhaling H2.2
  • Uitleg paragraaf 2.3
  • Zelfstandig werken
  • Afsluiting/Vragen 2.3

Slide 3 - Slide

Herhaling H2.2 Temperatuur?
           Wat heb jij in deze paragraaf geleerd? 

Slide 4 - Slide

Wat voor vloeistof wordt vaak gebruikt in een vloeistofthermometer?
A
• alcohol
B
• water
C
• kwik

Slide 5 - Quiz









Wat voor soort thermometer is dit?
A
• een koortsthermometer
B
• een vloeistofthermometer
C
• een oventhermometer
D
• een buitenthermometer

Slide 6 - Quiz









Wat voor soort thermometer is dit?
A
• een koortsthermometerr
B
• een vloeistofthermometer
C
• een oventhermometer
D
• een buitenthermometer

Slide 7 - Quiz









Je ziet twee thermometers. Welke van de twee geeft de temperatuur het nauwkeurigst aan?
A
• thermometer A
B
• thermometer B
C
• Ze zijn beide even nauwkeurig.

Slide 8 - Quiz

David heeft op een thermometer zonder schaalverdeling het nulpunt en het honderdpunt aangegeven. Deze streepjes staan dertig centimeter uit elkaar.
Hoeveel centimeter ligt het streepje van −10 °C onder het streepje van 0 °C?
Het streepje van −10 °C ligt .......... cm onder het streepje van 0 °C.

Slide 9 - Open question









Je ziet twee thermometers.

Welke van de twee heeft het grootste meetbereik?
A
• thermometer A
B
• thermometer B
C
• Ze zijn beide even nauwkeurig.

Slide 10 - Quiz

Karla heeft op een thermometer zonder schaalverdeling het nulpunt en het honderdpunt aangegeven. Deze streepjes staan twintig centimeter uit elkaar.
Hoeveel centimeter ligt het streepje van −10 °C onder het streepje van 0 °C?
Het streepje van −10 °C ligt ........ cm onder het streepje van 0 °C.

Slide 11 - Open question

Leerdoelen van paragraaf 2.3
  • Je kunt de zes fase-overgangen van stoffen benoemen en beschrijven. 
  • Je kunt beschrijven hoe de fase-overgangen van water een belangrijke rol spelen bij allerlei weersverschijnselen.

Slide 12 - Slide

Introductie
’s Winters zijn bomen en struiken na een koude nacht soms opeens bedekt met een dikke laag rijp. Als de dooi invalt, wordt het ijs waar je gisteren nog op schaatste, snel onbetrouwbaar. In al deze situaties heb je te maken met water dat van fase verandert. 

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Fase-overgangen
Als ijs smelt, zie je water van fase veranderen. De vaste fase gaat dan over in de vloeibare fase. Daarom noem je smelten een fase-overgang. 
 Er zijn zes fase-overgangen 
• smelten: een vaste stof wordt een vloeistof. 
• verdampen: een vloeistof wordt een gas. 
• condenseren: een gas wordt een vloeistof. 
• bevriezen: een vloeistof wordt een vaste stof. 
• vervluchtigen: een vaste stof wordt een gas. 
• rijpen: een gas wordt een vaste stof.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Welke fase heeft het kaarsvet op plaats B?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas

Slide 17 - Quiz

Fase-overgangen en het weer
De fase-overgangen van water spelen een belangrijke rol bij allerlei weersverschijnselen.

Slide 18 - Slide

Stollen en bevriezen
Voor de overgang van vloeistof naar vaste stof bestaan twee woorden: stollen en bevriezen. Van water zeg je dat het bevriest, van kaarsvet dat het stolt. Welk woord je gebruikt, hangt af van de temperatuur. Als een vloeistof vast wordt bij een temperatuur van 0 °C of lager, noem je dat ‘bevriezen’. Als hetzelfde gebeurt bij een hogere temperatuur, gebruik je het woord ‘stollen’.

Slide 19 - Slide

Smelten
Als het gaat dooien, smelt de ijslaag op plassen en vijvers snel weg. Boomtakken die pas nog wit waren van de rijp, worden nu weer kaal, terwijl de waterdruppels naar beneden vallen. Vast water (ijs) wordt weer vloeibaar water.

Slide 20 - Slide

Verdampen
Als na een regenbui de zon schijnt, zijn de straten al gauw weer droog. Plassen worden steeds kleiner en verdwijnen ten slotte helemaal. Dat komt doordat het regenwater bij warm weer snel verdampt: zichtbaar water wordt onzichtbare waterdamp.

Slide 21 - Slide

Condenseren
Als warme lucht ’s nachts afkoelt tegen een koud voorwerp, condenseert de waterdamp die in de lucht zit. Op grassprieten en bladeren verschijnen dan kleine waterdruppels (figuur 2). Onzichtbare waterdamp wordt zichtbaar water. Dat zichtbare water noem je dauw.

Slide 22 - Slide

Bevriezen of stollen
Als het vriest, ontstaat er een laag ijs op het water in plassen en vijvers. Het bovenste laagje water bevriest: het vloeibare water wordt vast. Als het blijft vriezen, groeit het ijslaagje van onderaf steeds verder aan.

Slide 23 - Slide

Vervluchtigen
Als de lucht erg koud en droog is, wordt een laag sneeuw geleidelijk dunner. Toch zie je geen plasje water bij de sneeuw liggen. Dat komt doordat sneeuw onder die omstandigheden niet smelt, maar langzaam verandert in waterdamp. De sneeuw vervluchtigt langzaam. 

Slide 24 - Slide

Rijpen
Als de temperatuur ’s nachts daalt tot onder 0 °C, ontstaat er geen dauw, maar rijp. De waterdamp in de lucht gaat over in kleine ijskristallen die boomtakken en grassprieten een prachtig wit uiterlijk geven.

Slide 25 - Slide

Opdrachten maken
Wat: lees paragraaf 2.3 en maak de online opdrachten   
Hoe: helemaal stil! muziek mag in!   
Hulp: Geen   
Tijd:  20  minuten lang.  
Huiswerk: opdrachten 1 tm 11 van paragraaf 2.3 & Test jezelf.
Klaar?: ga dan de opgaven digitaal maken & nakijken.
timer
20:00

Slide 26 - Slide

Er zijn zes fase-overgangen. 
Plaats telkens de juiste beschrijving naast de fase-overgangen.
stollen/bevriezen
smelten
verdampen
condenseren
rijpen
vervluchtigen
gasvormig naarg vast
vast naar vloeibaar
 vloeibaar naar gasvormig
gasvormig naar vleoibaar
vast naar gastvormig
vloeibaar naar vast

Slide 27 - Drag question


Welke faseovergang zie je in het plaatje?
A
Verdampen
B
Condenseren
C
Sublimeren
D
Koken

Slide 28 - Quiz

Hoe noem je water in de gasvorm?
A
waterstof
B
waterdamp
C
watergas
D
koolwaterstof

Slide 29 - Quiz

Welke fase heeft het water op plaats A?
A
gas
B
vast
C
vloeibaar

Slide 30 - Quiz

Welke fase heeft het water op plaats C?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas

Slide 31 - Quiz

1.
2.
3
4.
5.
6.
rijpen
vervluchtigen
smelten
stollen
condenseren
verdampen

Slide 32 - Drag question

In welke fase zit water als het mist?
A
vast
B
gas
C
vloeibaar

Slide 33 - Quiz

Dichte mist ontstaat als er veel waterdruppels in de lucht hangen. Na een heldere dag ontstaat er plots dichte mist.
Wat kun je dan zeggen over de temperatuur?
A
het is kouder geworden
B
de temperatuur is het zelfde gebleven
C
het is warmer geworden

Slide 34 - Quiz

De was droogt ook als het vriest.
Welke faseovergang heeft er plaatsgevonden?
A
stollen
B
verdampen
C
smelten
D
vervluchtigen

Slide 35 - Quiz

Tijdens een willekeurige winterdag zit er veel waterdamp in de lucht. Vervolgens daalt de temperatuur ’s nachts naar −4 °C.
Wat zul je de volgende ochtend op de takken vinden?
A
rijp
B
waterdruppels
C
waterdamp

Slide 36 - Quiz

hoe heet deze faseovergang?
vast --> vloeibaar
A
rijpen
B
smelten
C
stollen
D
verdampen

Slide 37 - Quiz

Door welke faseovergang is dit ijs ontstaan?
A
rijpen
B
bevriezen
C
smelten
D
condenseren

Slide 38 - Quiz

Leerdoelen van paragraaf 2.3?
  • Je kunt de zes fase-overgangen van stoffen benoemen en beschrijven. 
  • Je kunt beschrijven hoe de fase-overgangen van water een belangrijke rol spelen bij allerlei weersverschijnselen.

Slide 39 - Slide