13/3 H4, taalverzorging lastige werkwoorden

timer
10:00
1 / 37
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

timer
10:00

Slide 1 - Slide

Werkwoordspelling
Lastige werkwoorden
Persoonsvorm:
tegenwoordige tijd en verleden tijd 
Voltooid deelwoord
H4

Slide 2 - Slide

Lesplanning
  • Korte activiteit
  • Instructie/quiz
  • Werken 
  • Afsluiten

Slide 3 - Slide

Lesdoel:
Aan het einde van deze les:
  • kan je lastige werkwoorden die bijvoorbeeld beginnen met: be-, ge-, ver-, ont-, her- of over- goed spellen
  • de moeilijke woorden uit deze paragraaf goed spellen


Slide 4 - Slide

Schrijf drie dingen op die je
van de vorige les hebt onthouden.

Slide 5 - Mind map

Werkwoordstijden
  • OTT: onvoltooid tegenwoordige tijd - ik werk, ik lees 
  • OVT: onvoltooid verleden tijd - ik werkte, ik las 
  • VTT:voltooid tegenwoordige tijd - ik heb gewerkt, ik heb gelezen 
  • VVT: voltooid verleden tijd - ik had gewerkt, ik had gelezen (www = vt)

    Slide 6 - Slide

    Voorbeeld:
    ik verleer, hij verleert, hij heeft verleerd

    Doe hetzelfde met besturen.
    _________

    Slide 7 - Open question

    Voorbeeld:
    ik verleer, hij verleert, hij heeft verleerd

    Doe hetzelfde met verstuiven.
    _________

    Slide 8 - Open question

    De kleine Teun verstopt zich achter de boom.
    ________
    A
    persoonsvorm
    B
    voltooid deelwoord

    Slide 9 - Quiz

    In de biologieles hebben we een kikker ontleed.
    ________
    A
    persoonsvorm
    B
    voltooid deelwoord

    Slide 10 - Quiz

    Is het tegenwoordige tijd (tt)?
    Meervoud (MV) ? = wij, jullie, zij:
    Eén keuze: het hele werkwoord  = infinitief

    Enkelvoud (EV) = ik, hij, zij, jij, je, het, u:
    Twee keuzes: ik-vorm of ik-vorm+t



    Slide 11 - Slide

    Is het tegenwoordige tijd (tt)?
    1. Is het Meervoud (MV) ? = wij, jullie, zij = Infinitief = hele werkwoord 


    2. Staat er ik of staat je/jij DIRECT ACHTER de persoonsvorm?
    --> ik-vorm : Ik loop naar huis. Dan loop je naar huis. - Loop jij naar huis?


    3 Staat er jij/je/hij/zij/het/u VOOR het werkwoord? 
    --> ik-vorm+t: Jij loopt naar huis. Zij loopt naar huis. Het loopt naar huis. 


    Slide 12 - Slide

    Slide 13 - Video

    Scheidbare werkwoorden 
    Scheidbare werkwoorden zijn combinaties van een werkwoord met een voorvoegsel (prefix): 
    • uitstellen (uit + stellen) 
    • aandoen (aan + doen)
    • terechtkomen (terecht + komen), enzovoorts. 

    Zo’n scheidbaar werkwoord schrijf je soms aan elkaar en soms niet. 
     

    Slide 14 - Slide

    Scheidbare werkwoorden 

    In hoofdzinnen:  scheiden, uit elkaar

    • De gemeente nodigt alle inwoners uit
    • De gemeente besloot alle inwoners uit te nodigen

    Niet scheiden, aan elkaar
    • De gemeente heeft alle inwoners uitgenodigd.
    • De gemeente wil alle inwoners uitnodigen. 
     

    Slide 15 - Slide

    Slide 16 - Video

    Voltooid deelwoord -t of -d?
    1. verlengproef: maak het woord langer, dan hoor je wat het moet zijn.

    2. 'T XKoFSCHiP > Pak het hele ww, haal -en eraf. Staat de laatste letter in 'T XKoFSCHiP? 
    Ja? > voltooid deelwoord schrijf je met een  -t.
    Nee? > voltooid deelwoord schrijf je met een -d.

    Slide 17 - Slide

    Lastige werkwoorden
    Sommige werkwoorden klinken als pv en als vd hetzelfde,
    maar je schrijft ze niet hetzelfde.

    Lastige werkwoorden die beginnen met:
    ge-, be-, ver-, ont-, her-, over-.


    Slide 18 - Slide

    Opletten: lastige werkwoorden


    In de tegenwoordige tijd noemen we een werkwoord met 

    be-, ge-, ver-, ont-, her- of over-  een persoonsvorm.


    In de voltooide tijd noemen we een werkwoord met

    be-, ge-, ver-, ont-, her- of over-  dat geen persoonsvorm is 

    een voltooid deelwoord.



    Slide 19 - Slide

    Opletten: lastige werkwoorden

    Werkwoorden die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-, her- of over- klinken in de tegenwoordige tijd en de voltooide tijd hetzelfde, maar vaak schrijf je de werkwoorden anders.


    gebeurt of gebeurd

    verandert of veranderd?

    herstelt of hersteld?

    Slide 20 - Slide

    Persoonsvorm

    Soms gebeurt dat.
    Dat verandert niets.
    Zij herstelt haar scooter.
    Voltooid deelwoord

    Het is gebeurd.
    Het is niet veranderd.
    Zij heeft haar scooter hersteld.
    Is het een pv?  JA
    Tt of vt?  TT
    Regel? Ik-vorm +t
    Is het een pv?  NEE
    Regel? Maak langer, hoor je -t of -d? Schrijf zo kort mogelijk

    Slide 21 - Slide

    Je _____ de Nederlandse voetbalsupporters bij de Olympische spelen aan hun oranje outfit.
    A
    herkend
    B
    herkent

    Slide 22 - Quiz

    Voor dit tomatensoepgerecht moeten de tomaten eerst _____ worden.
    A
    ontveld
    B
    ontvelt

    Slide 23 - Quiz

    De gemeente heeft onze buren een vergunning _____ om drie berkenbomen te kappen.
    A
    verleend
    B
    verleent

    Slide 24 - Quiz

    Op de school-tv _____ de administratie alle roosterwijzigingen.
    A
    vermeld
    B
    vermeldt

    Slide 25 - Quiz

    Heb jij alles eerlijk aan de ouders _____ ?
    A
    verteld
    B
    vertelt

    Slide 26 - Quiz

    Voor het spellen van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd kan je 't x-kofschip gebruiken.
    A
    waar
    B
    niet waar

    Slide 27 - Quiz

    Voor het spellen van het voltooid deelwoord kun je 't x-kofschip gebruiken.
    A
    waar
    B
    niet waar

    Slide 28 - Quiz

    Werk voor deze les:
    Blz. 110/111 opdracht 4, 5 en 6
    + nakijken en verbeteren met een andere kleur!


    Klaar = lezen
    Wat niet af is = huiswerk!

    timer
    20:00

    Slide 29 - Slide

    Lesdoel:
    Aan het einde van deze les:
    • kan je lastige werkwoorden die bijvoorbeeld beginnen met: be-, ge-, ver-, ont-, her- of over- goed spellen
    • de moeilijke woorden uit deze paragraaf goed spellen


    Slide 30 - Slide

    Ik weet wanneer een werkwoord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord is
    😒🙁😐🙂😃

    Slide 31 - Poll

    Ik weet wanneer ik een lastig werkwoord met een d, dt of een t moet schrijven.
    😒🙁😐🙂😃

    Slide 32 - Poll

    Reflectie:
    Wat ging bij jou goed tijdens deze les?
    Wat kan nog iets beter?

    Slide 33 - Open question

    Feedback:
    Wat vond je fijn/goed aan deze les?
    Wat zou je liever anders willen zien?

    Slide 34 - Open question

    Slide 35 - Video

    Slide 36 - Video

    Slide 37 - Video