9/3 H4, taalverzorging lastige werkwoorden

Werkwoordspelling
Lastige werkwoorden
Persoonsvorm:
tegenwoordige tijd en verleden tijd 
Voltooid deelwoord
H4
1 / 47
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Werkwoordspelling
Lastige werkwoorden
Persoonsvorm:
tegenwoordige tijd en verleden tijd 
Voltooid deelwoord
H4

Slide 1 - Slide

Lesplanning
  • Korte activiteit
  • Instructie/quiz
  • Werken 
  • Afsluiten

Slide 2 - Slide

Spelen met woorden: raadsels
Geef iedereen de kans om het raadsel op te lossen: roep je geen antwoorden door de klas, maar doe je het in je hoofd.
  • Lees eerst het raadsel en probeer hem in je hoofd op te lossen (schrijf je antwoord eventueel even in je schrift op)
  • Schrijf je antwoord in de volgende sheet.
  • Denk aan hoofdletters en leestekens.

Slide 3 - Slide

Waarom kan een ei niet bevriezen?


Slide 4 - Open question

Waarom zit er een stuur op je fiets?

Slide 5 - Open question

Een slager is 1.80 meter en heeft schoenmaat 43. Wat weegt hij?

Slide 6 - Open question

Lesdoel:
Aan het einde van deze les:
  • kan je lastige werkwoorden die bijvoorbeeld beginnen met: be-, ge-, ver-, ont-, her- of over- goed spellen
  • de moeilijke woorden uit deze paragraaf goed spellen


Slide 7 - Slide

Schrijf drie dingen op die je
van de vorige les hebt onthouden.

Slide 8 - Mind map

Werkwoordstijden
  • OTT: onvoltooid tegenwoordige tijd - ik werk, ik lees 
  • OVT: onvoltooid verleden tijd - ik werkte, ik las 
  • VTT:voltooid tegenwoordige tijd - ik heb gewerkt, ik heb gelezen 
  • VVT: voltooid verleden tijd - ik had gewerkt, ik had gelezen (www = vt)

    Slide 9 - Slide

    Tom verdien... veel geld.
    A
    verdient
    B
    verdiend

    Slide 10 - Quiz

    Tom heeft veel geld verdien....
    A
    verdient
    B
    verdiend

    Slide 11 - Quiz

    Isa heeft met haar vrienden overleg....
    A
    overlegt
    B
    overlegd

    Slide 12 - Quiz

    Isa overleg... met haar vrienden.
    A
    overlegt
    B
    overlegd

    Slide 13 - Quiz

    David beantwoor... de vraag.
    A
    beantwoort
    B
    beantwoord
    C
    beantwoordt

    Slide 14 - Quiz

    David heeft de vragen beantwoor....
    A
    beantwoort
    B
    beantwoord
    C
    beantwoordt

    Slide 15 - Quiz

    Is het tegenwoordige tijd (tt)?
    Meervoud (MV) ? = wij, jullie, zij:
    Eén keuze: het hele werkwoord  = infinitief

    Enkelvoud (EV) = ik, hij, zij, jij, je, het, u:
    Twee keuzes: ik-vorm of ik-vorm+t



    Slide 16 - Slide

    Is het tegenwoordige tijd (tt)?
    1. Is het Meervoud (MV) ? = wij, jullie, zij = Infinitief = hele werkwoord 


    2. Staat er ik of staat je/jij DIRECT ACHTER de persoonsvorm?
    --> ik-vorm : Ik loop naar huis. Dan loop je naar huis. - Loop jij naar huis?


    3 Staat er jij/je/hij/zij/het/u VOOR het werkwoord? 
    --> ik-vorm+t: Jij loopt naar huis. Zij loopt naar huis. Het loopt naar huis. 


    Slide 17 - Slide

    Slide 18 - Video

    Scheidbare werkwoorden 
    Scheidbare werkwoorden zijn combinaties van een werkwoord met een voorvoegsel (prefix): 
    • uitstellen (uit + stellen) 
    • aandoen (aan + doen)
    • terechtkomen (terecht + komen), enzovoorts. 

    Zo’n scheidbaar werkwoord schrijf je soms aan elkaar en soms niet. 
     

    Slide 19 - Slide

    Scheidbare werkwoorden 

    In hoofdzinnen:  scheiden, uit elkaar

    • De gemeente nodigt alle inwoners uit
    • De gemeente besloot alle inwoners uit te nodigen

    Niet scheiden, aan elkaar
    • De gemeente heeft alle inwoners uitgenodigd.
    • De gemeente wil alle inwoners uitnodigen. 
     

    Slide 20 - Slide

    Slide 21 - Video

    Voltooid deelwoord -t of -d?
    1. verlengproef: maak het woord langer, dan hoor je wat het moet zijn.

    2. 'T XKoFSCHiP > Pak het hele ww, haal -en eraf. Staat de laatste letter in 'T XKoFSCHiP? 
    Ja? > voltooid deelwoord schrijf je met een  -t.
    Nee? > voltooid deelwoord schrijf je met een -d.

    Slide 22 - Slide

    Lastige werkwoorden
    Sommige werkwoorden klinken als pv en als vd hetzelfde,
    maar je schrijft ze niet hetzelfde.

    Lastige werkwoorden die beginnen met:
    ge-, be-, ver-, ont-, her-, over-.


    Slide 23 - Slide

    Opletten: lastige werkwoorden


    In de tegenwoordige tijd noemen we een werkwoord met 

    be-, ge-, ver-, ont-, her- of over-  een persoonsvorm.


    In de voltooide tijd noemen we een werkwoord met

    be-, ge-, ver-, ont-, her- of over-  dat geen persoonsvorm is 

    een voltooid deelwoord.



    Slide 24 - Slide

    Opletten: lastige werkwoorden

    Werkwoorden die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-, her- of over- klinken in de tegenwoordige tijd en de voltooide tijd hetzelfde, maar vaak schrijf je de werkwoorden anders.


    gebeurt of gebeurd

    verandert of veranderd?

    herstelt of hersteld?

    Slide 25 - Slide

    Persoonsvorm

    Soms gebeurt dat.
    Dat verandert niets.
    Zij herstelt haar scooter.
    Voltooid deelwoord

    Het is gebeurd.
    Het is niet veranderd.
    Zij heeft haar scooter hersteld.
    Is het een pv?  JA
    Tt of vt?  TT
    Regel? Ik-vorm +t
    Is het een pv?  NEE
    Regel? Maak langer, hoor je -t of -d? Schrijf zo kort mogelijk

    Slide 26 - Slide

    Voor het spellen van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd kan je 't x-kofschip gebruiken.
    A
    waar
    B
    niet waar

    Slide 27 - Quiz

    Voor het spellen van het voltooid deelwoord kun je 't x-kofschip gebruiken.
    A
    waar
    B
    niet waar

    Slide 28 - Quiz

    Voorbeeld:
    ik verleer, hij verleert, hij heeft verleerd

    Doe hetzelfde met verwerken.
    _________

    Slide 29 - Open question

    Voorbeeld:
    ik verleer, hij verleert, hij heeft verleerd

    Doe hetzelfde met begeleiden.
    _________

    Slide 30 - Open question

    Joris heeft de tekst in het Frans vertaald met Google Translate.
    ________
    A
    persoonsvorm
    B
    voltooid deelwoord

    Slide 31 - Quiz

    Rick vertaalt de menukaart voor zijn Spaanse vriendin.
    ________
    A
    persoonsvorm
    B
    voltooid deelwoord

    Slide 32 - Quiz

    Steeds weer belooft Martine ons een ijsje.
    ________
    A
    persoonsvorm
    B
    voltooid deelwoord

    Slide 33 - Quiz

    Vorige week had je me ook een cadeautje beloofd.
    ________
    A
    persoonsvorm
    B
    voltooid deelwoord

    Slide 34 - Quiz

    Door het plaatsen van zonnepanelen _____ het bedrijf op energiekosten.
    A
    bespaart
    B
    bespaard

    Slide 35 - Quiz

    Wat _____ een rond blauw verkeersbord met een witte bromfiets erop?
    A
    betekent
    B
    betekend

    Slide 36 - Quiz

    Sabien heeft Koen _____ om ook naar het eindexamenfeest te gaan.
    A
    verleid
    B
    verleidt

    Slide 37 - Quiz

    Je _____ de Nederlandse voetbalsupporters bij de Olympische spelen aan hun oranje outfit.
    A
    herkend
    B
    herkent

    Slide 38 - Quiz

    Werk voor deze les:
    Blz. 110/111 opdracht 1, 2 en 3
    + nakijken en verbeteren met een andere kleur!




    Wat niet af is = huiswerk!
    timer
    20:00

    Slide 39 - Slide

    Lesdoel:
    Aan het einde van deze les:
    • kan je lastige werkwoorden die bijvoorbeeld beginnen met: be-, ge-, ver-, ont-, her- of over- goed spellen
    • de moeilijke woorden uit deze paragraaf goed spellen


    Slide 40 - Slide

    Ik weet wanneer een werkwoord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord is
    😒🙁😐🙂😃

    Slide 41 - Poll

    Ik weet wanneer ik een lastig werkwoord met een d, dt of een t moet schrijven.
    😒🙁😐🙂😃

    Slide 42 - Poll

    Reflectie:
    Wat ging bij jou goed tijdens deze les?
    Wat kan nog iets beter?

    Slide 43 - Open question

    Feedback:
    Wat vond je fijn/goed aan deze les?
    Wat zou je liever anders willen zien?

    Slide 44 - Open question

    Slide 45 - Video

    Slide 46 - Video

    Slide 47 - Video