4.4 - Vermogen en energie

4.4 - Vermogen en energie 
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

4.4 - Vermogen en energie 

Slide 1 - Slide

Teken dit schakelschema
timer
1:00

Slide 2 - Slide

serie en parallel
Serie schakeling
Parallel schakeling

Slide 3 - Slide

Spanning (U) bij serie & parallel
In een serieschakeling tel je de spanning bij elkaar op.

In een parallelschakeling  is de spanning overal gelijk.
 

Slide 4 - Slide

Leerdoelen van paragraaf 4.4
  • Je kunt uitleggen wat het vermogen van een apparaat is. 
  • Je kent de eenheid van vermogen. 
  • Je kunt het vermogen van een apparaat berekenen. 
  • Je kunt uitleggen waarom een apparaat met een groter vermogen meer elektrische energie verbruikt.

Slide 5 - Slide

Introductie
Je hebt niet veel aan een mobiele telefoon als je hem steeds moet opladen. Hoe zuiniger het apparaat, hoe langer het duurt voordat de batterij weer opgeladen moet worden.

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Stroomsterkte en Spanning
          
             = Stroomsterkte
                 


                  = Spanning
(hoeveel energiedragers per seconde)
(hoeveelheid energie die de energiedrager bij zich heeft)

Slide 8 - Slide

Het vermogen van een apparaat






Hoeveel Elektrische energie het apparaat per seconde gebruikt

Slide 9 - Slide

Zaklamp A heeft een vermogen van 5 W en zaklamp B heeft een vermogen van 10 W.
Welke zaklamp heeft het grootste vermogen?
A
zaklamp A
B
zaklamp B
C
dit hangt af van de spanning
D
dit hangt af van de stroomsterkte

Slide 10 - Quiz

Het vermogen van een apparaat staat altijd op de verpakking.

Soms in:

kW = kilowatt (1000 Watt)
W = Watt
mW = milliWatt (0,001 Watt)

Slide 11 - Slide

Omrekenen
 
Omrekenen doe je zo: 
1 mW = 0,001 W 
1 W = 1000 mW (milliwatt) 
1 kW = 1000 W 
1 W = 0,001 kW
 

Slide 12 - Slide

Vermogen - typeplaatje

Slide 13 - Slide

Wat verbruikt meer energie?
Een gloeilamp of een ledlamp?
A
Gloeilamp
B
ledlamp
C
Geen idee

Slide 14 - Quiz

Wat verbruikt meer energie?
Een boormachine of een waterkoker?
A
Boormachine
B
Waterkoker
C
Moet ik opzoeken
D
Geen idee

Slide 15 - Quiz

Welke vragen zijn er?

Slide 16 - Slide

Aan de slag: huiswerk

Maak van paragraaf 4.4: Vermogen en energie
  1. Opdrachten 1, 2, 3, 6
  2. Test jezelf.
  3. De opdracht in de portal
  4.  Natuurkundesite: Elektriciteit

Klaar? Werk aan de opdrachten van 3.3: Schakelingen

Slide 17 - Slide

Veranderlijk vermogen
 Het vermogen van sommige apparaten is veranderlijk. Bij een mobiele telefoon stijgt het vermogen bijvoorbeeld sterk als je belt of gebruikmaakt van internet. Als de telefoon op stand-by staat, is het vermogen juist heel klein. Andere apparaten hebben wel een constant vermogen, zoals een zaklantaarn of een elektrische klok.

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Rekenen met vermogen
Grootheid
Eenheid
Afkorting
Spanning
Volt
V
Stroomsterkte
Ampere
A
Vermogen
Watt
W

Slide 20 - Slide

Formule
vermogen = spanning x stroomsterkte

Vermogen in Watt.
Spanning in Volt.
Stroomsterkte in Ampere.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Het vermogen berekenen
Het vermogen van een apparaat hangt af van: (1) de spanning waarop het apparaat werkt, en (2) de stroomsterkte die door het apparaat loopt. 
Bereken het vermogen met de formule: 

vermogen = spanning x stroomsterkte 
(Watt = Volt x Spanning)
 
Als je de spanning invult in Volt en de stroomsterkte in Ampère, vind je het vermogen in watt (W).

Slide 25 - Slide

Voorbeeldopdracht 



gegevens: 
spanning = 12 V 
stroomsterkte = 220 mA 

gevraagd: 
vermogen = ? 


 
Op een website kun je ledlampen kopen voor decoratief gebruik. 
Controleer of het vermogen van de lamp in juist is berekend. 

Slide 26 - Slide

Voorbeeldopdracht 



gegevens: 
spanning = 12 V 
stroomsterkte = 220 mA = 0,22 A 

gevraagd: 
vermogen = ? 


 
Op een website kun je ledlampen kopen voor decoratief gebruik. 
Controleer of het vermogen van de lamp in juist is berekend. 

Slide 27 - Slide

Voorbeeldopdracht 



gegevens: 
spanning = 12 V 
stroomsterkte = 220 mA = 0,22 A 

gevraagd: 
vermogen = ? 

uitwerking: 
vermogen = spanning × stroomsterkte 
= 12 × 0,22  
= 2,64 W  
Dit klopt met de waarde die op de website vermeld staat.
 
Op een website kun je ledlampen kopen voor decoratief gebruik. 
Controleer of het vermogen van de lamp in juist is berekend. 

Slide 28 - Slide

Vermogen, tijd en energieverbruik
Een apparaat, bijvoorbeeld een mobiele telefoon of een tablet, kan maar een bepaalde tijd op de batterij werken. Hoe groter het vermogen van het apparaat, hoe sneller de batterij leeg zal zijn. Er zijn daarom allerlei manieren bedacht om het vermogen van een apparaat laag te houden.

Slide 29 - Slide

Vermogen, tijd en energieverbruik
Een apparaat bestaat uit verschillende onderdelen, die allemaal hun eigen vermogen hebben. Het vermogen van het apparaat is de optelsom van de vermogens van al die verschillende onderdelen. De ontwerpers van zo’n apparaat kiezen daarom onderdelen met een laag vermogen. Als twee beeldschermen ongeveer dezelfde prestaties hebben, kiest de ontwerper het beeldscherm met het laagste vermogen. Dat gebruikt namelijk minder energie. 

Slide 30 - Slide

Vermogen, tijd en energieverbruik
Als je een mobiele telefoon of een tablet even niet gebruikt, schakelt het apparaat zoveel mogelijk onderdelen uit. Het beeldscherm gaat bijvoorbeeld al na korte tijd op zwart. Hierdoor daalt het totale vermogen van het apparaat meteen.

Slide 31 - Slide

Vermogen, tijd en energieverbruik
Aan het verlagen van het vermogen zit een grens. Daarom proberen onderzoekers om de opslagcapaciteit van batterijen en accu’s te vergroten. Als een batterij meer elektrische energie kan opslaan, kan een apparaat er – bij hetzelfde vermogen – langer op werken.

Slide 32 - Slide

Vermogen =
X
......................
........................
Tijd
Windingen
Stroomsterkte
Spanning

Slide 33 - Drag question

Mijn laptop werkt op een spanning van 12 v. de stroomsterkte is 2 A
Hoe groot is het vermogen?
A
24 v
B
24 w
C
6 w
D
14 v

Slide 34 - Quiz

wat is de juiste berekening
A
Vermogen= spanning x stroomsterkte
B
Spanning= vermogen x stroomsterkte
C
Stroomsterkte= spanning x vermogen

Slide 35 - Quiz

Wat moet er op de stippellijn? …..................= spanning x stroomsterkte. ​
A
adapter
B
vermogen
C
energie
D
dichtheid

Slide 36 - Quiz

Wat moet er op de stippellijn? …..................= spanning x stroomsterkte. ​
A
adapter
B
vermogen
C
energie
D
dichtheid

Slide 37 - Quiz

Bereken het vermogen van een TV die is aangesloten op de netspanning. Er loopt een stroom van 0,2 A doorheen.
A
1150 W
B
11,5 W
C
46 W
D
460 W

Slide 38 - Quiz

1 w is hetzelfde als……?
A
0,1 KW
B
100 MW
C
0,001 KW
D
1 MW

Slide 39 - Quiz

1 KW is….?
A
10 W
B
1000 W
C
100 W
D
10.000 W

Slide 40 - Quiz

Lees paragraaf 4.4 + maak aantekeningen in je schrift (met behulp van de lessen uit de studiewijzer.

Maak:
  1. Opdrachten 1 t/m 13.
  2. Test jezelf.
  3. De opdracht in de portal.
  4.  Natuurkundesite: Elektriciteit.
  5. Oefen met opdrachten uit de studiewijzer.

Slide 41 - Slide