3H 25/01/23

Bonjour à tous!
1 / 28
next
Slide 1: Slide
FransPraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Bonjour à tous!

Slide 1 - Slide

Le hadith de la semaine
De profeet (vzmh) zei: "Ik garandeer een huis in het paradijs voor wie ruzie opgeeft, zelfs als hij gelijk heeft.” (Aboe Dawoed)
   

Beknopte uitleg:
• Laat ruzie niet te lang duren, vooral als het zal leiden tot rancune of tijdverspilling.
• In een andere hadith: "Voorwaar, je zult nooit iets opgeven terwille van Allah, behalve dat Allah het met iets beters zal compenseren."
• Krijg je de compensatie niet hier in deze wereld, dan zal je die zeker krijgen in het hiernamaals.

Slide 2 - Slide

Lesdoelen/buts
Aan het eind van de les:

- weet ik wat een lijdend voorwerp is.
- kan ik het lijdend voorwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.
- weet ik wat een meewerkend voorwerp is.
- kan ik het meewerkend voorwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.

Slide 3 - Slide

Qu'est-ce qu'on va faire?

- Grammaire II
- Parler

Slide 4 - Slide

Denken - Delen- Uitwisselen
• Tijd: Vous avez 4 minutes.                     • Hulp: Geen vragen.
• Hoe: Zelfstandig werken.
• Uitkomst: Bespreken met je groepje.
• Eerder klaar?  Il faut attendre.
• Wat: Onderstreep het lijdend voorwerp en vervang het lijdend voorwerp in de volgende zinnen door le, la , l' of les:
            1. Je cherche mon portable.                                     5. Je supprime les photos. 
            2. Il achète une plante.                                              6. Marie va prêter son parapluie à moi.
            3. Hier, elle a regardé un film.                                 7. Je ne supprime pas les photos. 
            4. Mon frère connait la youtubeuse.
         
            
           
timer
4:00

Slide 5 - Slide

Denken - Delen- Uitwisselen
• Tijd: Vous avez 3 minutes.
Hoe: Werken in groepjes.
• Hulp: Vraag je groepje eerst om hulp, vervolgens de docente.
• Uitkomst: Uitwisselen met de rest van de klas
• Eerder klaar?  Il faut attendre.
• Wat: Deel je antwoorden met je groepje. 
timer
3:00

Slide 6 - Slide

Voorbeeld in het Nederlands

Ik geef een cadeau.

Ik geef het.


Ken jij die voetballer?

Ik ken hem.

Lijdend voorwerp vinden:
wie of wat + ww + onderwerp

Slide 7 - Slide

Je kan een lijdend voorwerp vervangen door le, la ,l' of les

      

       mannelijk - le          Tu connais le chanteur?

                                              Oui, je le connais.


       vrouwelijk - la         Tu regardes la photo?
                                              Oui, je la regarde.

Slide 8 - Slide

Je kan een lijdend voorwerp vervangen door le, la ,l' of les

      

         voor een klinker of h - l'          Tu as déjà son autographe?

                                                                    Oui, je l'ai déjà. 


         meervoud - les     Tu achètes les magazines?
                                              Oui, je les achète.

Slide 9 - Slide

De plaats in de zin

le, la, l', les noteer je direct vóór de persoonsvorm.


Tu achètes les magazines?
Non, je ne les achète pas.


Tu as eu son autographe?
Oui, je l'ai eu.

Slide 10 - Slide

De plaats in de zin

Staat er een heel werkwoord in de zin? Le, la, l', les voor dat werkwoord.


Tu vas rencontrer l'actrice?
Oui, je vais la rencontrer.

Slide 11 - Slide


Het persoonlijk voornaamwoord 
gebruikt als 
meewerkend voorwerp

Slide 12 - Slide

geef
ONDERWERP
LIJDEND VOORWERP
MEEWERKEND VOORWERP
Ik
een boek
aan mijn vader.

Slide 13 - Drag question

Uitleg (Nederlands)
Een meewerkend voorwerp kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er staat altijd maar maximaal één meewerkend voorwerp (mv) in een zin. 
Het meewerkend voorwerp (mv) kun je vinden door de volgende vraag te stellen:

mv: aan/voor wie + wwg + onderwerp + (lv)?     Aan wie geef ik het boek?

Let op: Het voorzetsel 'aan' of 'voor' kan bijna altijd worden weggelaten of toegevoegd bij het meewerkend voorwerp.



Slide 14 - Slide

Het persoonlijk voornaamwoord 
als meewerkend voorwerp 

Hoe herken je een meewerkend voorwerp in het Frans? Het zinsdeel dat meewerkend voorwerp is, begint altijd met het voorzetsel à (au, aux). Dit zinsdeel kun je dan vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.

Voorbeeld:
  • Ils donnent de l’argent de poche à Gabrielle. Zij geven zakgeld aan Gabrielle.  
  • Ils lui donnent de l’argent de poche. Zij geven haar zakgeld.  

Slide 15 - Slide

Dit zijn de vormen van het persoonlijk voornaamwoord als meewerkend voorwerp.
me/m’  = mij  
te/t’ =  jou  
lui = hem/haar  
nous  = ons  
vous  = u/jullie  
leur = hun  
De volgende werkwoorden krijgen vaak het voorzetsel à: répondre (beantwoorden), écrire (schrijven), donner (geven), dire (zeggen), parler (praten), téléphoner (bellen), demander (vragen).

Slide 16 - Slide

Plaats in de zin


Het persoonlijk voornaamwoord staat direct vóór de persoonsvorm.
  • je donne de l'argent de poche à ma soeur -->Je lui donne de l’argent de poche.    ( vertaling: Ik geef haar zakgeld.)  

Staat er een heel werkwoord in de zin? Dan staat het persoonlijk voornaamwoord voor het hele werkwoord.
  • Je vais lui donner de l’argent de poche --> Ik ga haar zakgeld geven.  


Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Louis a donné son i-pad à l’informaticien du magasin.

Slide 19 - Open question

Il a donné un cadeau à son père.
Il a donné un cadeau aux enfants.
Il a donné un cadeau à moi.
Il lui a donné un cadeau.
Il leur a donné un cadeau.
il m'a donné un cadeau.

Slide 20 - Drag question

Vervang het meew. vw door een pers. vnw.
Welke zin is goed?

Il demande à moi de l'aider.
A
Il te demande de l'aider.
B
Il me demande de l'aider.
C
Il se demande de l'aider.
D
Il demande me de l'aider.

Slide 21 - Quiz

Vervang het meew. vw door een pers. vnw.
Welke zin is goed?

Matteo n'a pas répondu au prof.
A
Matteo n' a lui pas répondu .
B
Matteo ne m' a pas répondu.
C
Matteo ne lui a pas répondu .
D
Matteo n' a pas lui répondu.

Slide 22 - Quiz

Wat is de plaats in de zin van het pers. vnw. als meew. vw?
A
Altijd voor de persoonsvorm.
B
Altijd voor het voltooid deelwoord.
C
Als er een heel werkwoord in de zin staat , dan voor het hele werkwoord.
D
Als er een heel werkwoord in de zin staat , dan na het hele werkwoord.

Slide 23 - Quiz

Grammaire II
• Tijd: Vous avez 2 minutes.
• Hoe: Zelfstandig werken.
• Hulp: Si tu as des questions, lève ta main!
• Uitkomst: Klassikaal bespreken
• Eerder klaar?  Continuez avec l'exercice 16 B
• Wat: Faire l'exercice 16A (3) à la page 112

Slide 24 - Slide

Grammaire II
• Tijd: Vous avez 6 minutes.
• Hoe: Zelfstandig werken.
• Hulp: Si tu as des questions, lève ta main!
• Uitkomst: Klassikaal bespreken
• Eerder klaar?  Continuez avec l'exercice 16 C
• Wat: Faire l'exercice 16 B  à la page 114

Slide 25 - Slide

Grammaire II
• Tijd: Vous avez 4 minutes.
• Hoe: Zelfstandig werken.
• Hulp: Si tu as des questions, lève ta main!
• Uitkomst: Klassikaal bespreken
• Eerder klaar?  Continuez avec l'exercice 16 D
• Wat: Faire l'exercice 16 C  à la page 115

Slide 26 - Slide

Les devoirs
Leren: apprendre 5 + 6
Afmaken: Écrire

Slide 27 - Slide

Vooruitblik
Wat gaan we de volgende les doen?
- Écrire + Lire Extra



Slide 28 - Slide