Balans en winst verwerken

Balans en winst verwerken

1 / 42
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMBOStudiejaar 1

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min
Report this lesson

Items in this lesson

Balans en winst verwerken

This item has no instructions

Leerdoel

Ik kan financiële feiten verwerken in een balans en de gevolgen voor bezittingen, schulden, winst en eigen vermogen berekenen.

This item has no instructions

Lesagenda

  • Bedrijfsbezoek

  • Huiswerk

  • Diagnostische toets

  • Quiz

  • Mutaties

  • Oefenen

  • Jullie worden de docent

  • Afsluiter of stoeltjesdans

This item has no instructions

Bedrijfsbezoek

  • 8 oktober

  • Hoe zit het met Sport op Maat?

  • 12:10 verzamelen voor de HANOS


This item has no instructions

Diagnostische toets

  • Volgende week, 1 oktober

  • Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2

  • Balans, mutaties en het verwerken van mutaties

  • Waar sta je?

This item has no instructions

Waar staat eigen vermogen op de balans?

A

vaste activa

B

passiva

C

vlottende activa

D

activa

Toetst het onderscheid tussen bezit/vorderingen en financiering. Veelgemaakte fout: eigen vermogen bij activa zetten omdat het 'van jezelf' is.

Welke gebeurtenis verlaagt het eigen vermogen?

A

storting

B

winst

C

privé-opname

D

meer omzet

'Meer omzet' is bewust als afleider opgenomen: omzet is niet automatisch winst. In deze reeks is privé-opname de enige zekere verlaging.

Wie is de hypotheeknemer?

A

de bank

B

de verzekeraar

C

de geldlener

D

de borgsteller

Toetst het verschil tussen hypotheekgever en hypotheeknemer vanuit het perspectief van de lening.

Welke stap hoort bij het samenstellen van een balans?

A

schulden bij activa

B

totalen vergelijken

C

omzet bij passiva

D

voorraad bij leningen

Controleert of studenten de vaste werkwijze herkennen: indelen en daarna nagaan of beide kanten gelijk zijn.

De balans in één overzicht

Een balans laat op een bepaald moment zien:

  • welke bezittingen een onderneming heeft

  • welke schulden er zijn

  • hoeveel eigen vermogen overblijft


De balans is altijd in evenwicht:

bezittingen = eigen vermogen + schulden

Benadruk dat een balans een momentopname is. Koppel dit aan bekende voorbeelden zoals kasgeld, voorraad en een lening bij de bank.

Belangrijkste balansposten

Bezittingen

  • kas

  • bank

  • voorraad


Schulden

  • lening

  • crediteuren


Eigen vermogen

  • het deel van de onderneming van de eigenaar

Leg uit dat crediteuren openstaande schulden aan leveranciers zijn. Houd de voorbeelden eenvoudig en concreet.

Eigen vermogen begrijpen

Eigen vermogen is het verschil tussen bezittingen en schulden.


Formule:

eigen vermogen = bezittingen - schulden


Als bezittingen stijgen zonder dat schulden even hard stijgen, neemt het eigen vermogen toe.

Als schulden stijgen zonder extra bezittingen of winst, neemt het eigen vermogen af.

Maak duidelijk dat eigen vermogen geen losse pot geld hoeft te zijn, maar een rekengrootheid op de balans.

Voorbeeld van een beginbalans

Een onderneming start met:

  • kas: €2.000

  • bank: €6.000

  • voorraad: €4.000

  • lening: €5.000


Berekening:

bezittingen = €12.000

eigen vermogen = €12.000 - €5.000 = €7.000

Laat eventueel mondeling de balansvorm zien: links bezittingen, rechts eigen vermogen en schulden.

Financiële feiten en balanswijzigingen

Een financieel feit is een gebeurtenis die de cijfers van de onderneming verandert.


Denk aan:

  • inkopen

  • verkopen

  • betalingen

  • ontvangsten


Elk financieel feit zorgt voor een verandering in minstens twee balansposten of in winst en daarna in het eigen vermogen.

Leg de koppeling tussen bronstukken en financiële feiten: facturen, kassabonnen en bankafschriften tonen wat er is gebeurd.

Hoe bereken je het eigen vermogen?

A

bezittingen - schulden

B

bezittingen + schulden

C

schulden - bezittingen

D

kas + bank

Toetst de kernformule uit de eerste uitleg over de balans. Veelgemaakte fout: bezittingen en schulden optellen.

Vul de ontbrekende woorden in

Een balans laat op een bepaald moment de bezittingen, de schulden en het eigen vermogen zien. Het eigen vermogen is het verschil tussen bezittingen en schulden.

balans
bezittingen
eigen vermogen
schulden
omzet
crediteuren
voorraad
nettowinst

Alle begrippen komen letterlijk uit de eerste subtopic-slides en dwingen studenten de samenhang tussen balans en eigen vermogen te herkennen.

Boekingsstukken als bewijs

Financiële feiten verwerk je op basis van boekingsstukken:

  • factuur: aankoop of verkoop op rekening

  • kassabon: contante betaling of ontvangst

  • bankafschrift: betaling of ontvangst via bank

Noem dat deze stukken nodig zijn om correct te kunnen boeken en controleren.

Inkoop contant verwerken

Voorbeeld: de onderneming koopt voorraad en betaalt €500 contant.


Gevolg op de balans:

  • voorraad stijgt met €500

  • kas daalt met €500


De totale bezittingen blijven gelijk.

Schulden en eigen vermogen veranderen niet.

Benadruk dat hier alleen een verschuiving binnen de bezittingen plaatsvindt.

Inkoop op rekening verwerken

Voorbeeld: de onderneming koopt voorraad voor €800 op rekening.


Gevolg op de balans:

  • voorraad stijgt met €800

  • crediteuren stijgen met €800


De bezittingen nemen toe, maar ook de schulden.

Het eigen vermogen blijft gelijk.

Gebruik bewust het woord crediteuren steeds op dezelfde manier: schulden aan leveranciers.

Betalen van een schuld

Voorbeeld: de onderneming betaalt €300 via bank aan een leverancier.


Gevolg op de balans:

  • bank daalt met €300

  • crediteuren dalen met €300


De totale bezittingen dalen en de schulden dalen evenveel.

Het eigen vermogen verandert niet.

Laat zien dat een betaling niet automatisch kosten betekent; hier wordt alleen een bestaande schuld afgelost.

Verkoop en ontvangst verwerken

Voorbeeld: de onderneming verkoopt goederen en ontvangt €1.200 via bank.


Gevolg op de balans:

  • bank stijgt met €1.200

  • door de verkoop ontstaat opbrengst

  • die opbrengst werkt via de winst door in het eigen vermogen

Maak hier alvast het bruggetje naar brutowinst en nettowinst: verkoopbedrag is niet hetzelfde als winst.

Wat gebeurt er bij inkoop van voorraad op rekening?

A

kas omhoog, voorraad omlaag

B

bank omlaag, lening omhoog

C

voorraad omhoog, crediteuren omhoog

D

voorraad omlaag, eigen vermogen omhoog

De juiste koppeling is voorraad + crediteuren. Distractors sluiten aan bij verwarring tussen contante betaling, lening en winst.

Verwerk het financiële feit

Een onderneming koopt voorraad voor €500 contant. De voorraad stijgt en de kas daalt. Bij een betaling van €300 via bank aan een leverancier daalt de bank en dalen ook de crediteuren.

voorraad
kas
bank
crediteuren
omzet
lening
eigen vermogen
brutowinst

Toetst of studenten transacties juist aan balansposten koppelen zonder nieuwe context toe te voegen.

Waarom is €1.200 ontvangen niet meteen winst?

Bespreek dat een ontvangst via bank niet automatisch winst is. Correcte elementen: het kan omzet zijn, maar winst ontstaat pas na aftrek van inkoopwaarde en later overige kosten; de ontvangst verhoogt wel een bezit.

Van verkoop naar brutowinst

Brutowinst is het verschil tussen:

  • opbrengst van de verkopen

  • inkoopwaarde van de verkochte goederen


Formule:

brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de omzet


Brutowinst laat zien wat overblijft na de inkoop van de verkochte goederen.

Gebruik bij voorkeur eenvoudige handelsvoorbeelden, omdat de termen dan herkenbaar zijn.

Brutowinst berekenen

Voorbeeld:

  • omzet: €1.200

  • inkoopwaarde van de verkochte goederen: €700


Berekening:

brutowinst = €1.200 - €700 = €500


Die €500 is nog niet de definitieve winst van de onderneming.

Leg uit dat voorraad door verkoop meestal afneemt; op deze les ligt de nadruk op winstberekening en balansgevolgen.

Van brutowinst naar nettowinst

Nettowinst is wat overblijft na andere bedrijfskosten.


Voorbeelden van kosten:

  • huur

  • verzekeringen

  • reclame

  • energiekosten


Formule:

nettowinst = brutowinst - overige kosten

Houd het verschil scherp: inkoopwaarde hoort bij brutowinst, andere kosten trek je later af voor nettowinst.

Nettowinst berekenen

Voorbeeld:

  • brutowinst: €500

  • overige kosten: €180


Berekening:

nettowinst = €500 - €180 = €320


De onderneming heeft dus €320 winst behaald in deze periode.

This item has no instructions

Winst en eigen vermogen

Behaalde winst vergroot het eigen vermogen.


Schema:

meer winst → hoger eigen vermogen

verlies → lager eigen vermogen


Winst blijft dus niet los staan, maar verandert de vermogenspositie van de onderneming.

Noem eventueel dat privé-opnames en privé-stortingen ook invloed kunnen hebben op eigen vermogen, maar werk die hier niet uit als ze niet in de les horen.

Wat is de brutowinst bij omzet €1.200 en inkoopwaarde €700 en €100 bedrijskosten?

A

€700

B

€1.900

C

€500

D

€400

Laat studenten omzet en inkoopwaarde van de omzet correct verrekenen. €320 is bewust opgenomen als verwarring met de latere nettowinst.

Van omzet naar winst

De brutowinst is omzet min de inkoopwaarde van de verkochte goederen. De nettowinst krijg je door van de brutowinst de overige kosten af te trekken.

brutowinst
inkoopwaarde
nettowinst
kosten
bezittingen
opbrengst
crediteuren
lening

Herhaalt het onderscheid tussen brutowinst en nettowinst met de kernwoorden uit de contentslides.

Bijgewerkte balans opstellen

Na het verwerken van boekingsstukken stel je een nieuwe balans op.


Werkwijze:

  • pas per financieel feit de juiste posten aan

  • tel de nieuwe bezittingen op

  • tel schulden en eigen vermogen op

  • controleer of beide kanten gelijk zijn

Benadruk de vaste volgorde: eerst verwerken, daarna pas de nieuwe balans uitschrijven.

Voorbeeld van een bijgewerkte balans

Beginbalans:

  • bezittingen €12.000

  • schulden €5.000

  • eigen vermogen €7.000

Na nettowinst van €320:

  • bezittingen nemen toe met €320

  • eigen vermogen neemt toe met €320

Nieuwe balans:

  • bezittingen €12.320

  • schulden €5.000

  • eigen vermogen €7.320

Je kunt hier mondeling bespreken dat de toename van bezittingen bijvoorbeeld in kas of bank zichtbaar wordt, afhankelijk van de ontvangst.

Veelvoorkomende denkfouten

Let op deze verschillen:

  • betaling is niet altijd een kost

  • ontvangst is niet altijd winst

  • inkoop verandert niet altijd direct het eigen vermogen

  • winst verandert uiteindelijk wel het eigen vermogen


Kijk dus steeds: welke balanspost verandert, en waardoor?

Deze slide helpt misvattingen voorkomen. Geef per punt kort een voorbeeld uit eerdere slides.

Wat is juist na een nettowinst van €320?

A

schulden stijgen €320

B

eigen vermogen stijgt €320

C

crediteuren dalen €320

D

lening daalt €320

Sluit aan op het voorbeeld van de bijgewerkte balans: winst verhoogt het eigen vermogen, niet automatisch de schulden of lening.

Werk de balansgedachte af

Na het verwerken van boekingsstukken stel je een nieuwe balans op. Je telt de nieuwe bezittingen op en vergelijkt die met schulden plus eigen vermogen. Beide kanten moeten gelijk zijn.

balans
bezittingen
schulden
eigen vermogen
omzet
kosten
factuur
brutowinst

Controleert of studenten de vaste werkwijze voor het opstellen van een bijgewerkte balans beheersen.

Aan de slag!

Jullie leggen straks jullie antwoorden uit op het bord voor de klas!

  • 2.4, 2.5, 2.6, 2.7


Niet af als klas? = niet bespreken = huiswerk

This item has no instructions

This item has no instructions

Wat uit deze les ga jij het best onthouden?

This item has no instructions

Welk onderdeel vond jij het lastigst vandaag?

This item has no instructions

Begrippen

balans - overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen op een bepaald moment

bezittingen - alles wat de onderneming heeft

schulden - bedragen die de onderneming nog moet betalen

eigen vermogen - het verschil tussen bezittingen en schulden

financieel feit - gebeurtenis die de financiële positie verandert

boekingsstuk - bewijs van een financieel feit, zoals een factuur of bankafschrift

crediteuren - schulden aan leveranciers

This item has no instructions

Begrippen

brutowinst - omzet min de inkoopwaarde van de verkochte goederen

nettowinst - brutowinst min overige kosten

omzet - opbrengst van verkopen

inkoopwaarde van de omzet - waarde van de goederen die zijn verkocht

kassabon - bewijs van een contante betaling of ontvangst

factuur - rekening voor een aankoop of verkoop

bankafschrift - overzicht van bij- en afschrijvingen op de bankrekening

This item has no instructions