Balans en winst verwerken
Balans en winst verwerken
This item has no instructions
Leerdoel
Ik kan financiële feiten verwerken in een balans en de gevolgen voor bezittingen, schulden, winst en eigen vermogen berekenen.
This item has no instructions
Lesagenda
Bedrijfsbezoek
Huiswerk
Diagnostische toets
Quiz
Mutaties
Oefenen
Jullie worden de docent
Afsluiter of stoeltjesdans
This item has no instructions
Bedrijfsbezoek
8 oktober
Hoe zit het met Sport op Maat?
12:10 verzamelen voor de HANOS
This item has no instructions
Diagnostische toets
Volgende week, 1 oktober
Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2
Balans, mutaties en het verwerken van mutaties
Waar sta je?
This item has no instructions
Waar staat eigen vermogen op de balans?
vaste activa
passiva
vlottende activa
activa
Toetst het onderscheid tussen bezit/vorderingen en financiering. Veelgemaakte fout: eigen vermogen bij activa zetten omdat het 'van jezelf' is.
Welke gebeurtenis verlaagt het eigen vermogen?
storting
winst
privé-opname
meer omzet
'Meer omzet' is bewust als afleider opgenomen: omzet is niet automatisch winst. In deze reeks is privé-opname de enige zekere verlaging.
Wie is de hypotheeknemer?
de bank
de verzekeraar
de geldlener
de borgsteller
Toetst het verschil tussen hypotheekgever en hypotheeknemer vanuit het perspectief van de lening.
Welke stap hoort bij het samenstellen van een balans?
schulden bij activa
totalen vergelijken
omzet bij passiva
voorraad bij leningen
Controleert of studenten de vaste werkwijze herkennen: indelen en daarna nagaan of beide kanten gelijk zijn.
De balans in één overzicht
Een balans laat op een bepaald moment zien:
welke bezittingen een onderneming heeft
welke schulden er zijn
hoeveel eigen vermogen overblijft
De balans is altijd in evenwicht:
bezittingen = eigen vermogen + schulden
Benadruk dat een balans een momentopname is. Koppel dit aan bekende voorbeelden zoals kasgeld, voorraad en een lening bij de bank.
Belangrijkste balansposten
Bezittingen
kas
bank
voorraad
Schulden
lening
crediteuren
Eigen vermogen
het deel van de onderneming van de eigenaar
Leg uit dat crediteuren openstaande schulden aan leveranciers zijn. Houd de voorbeelden eenvoudig en concreet.
Eigen vermogen begrijpen
Eigen vermogen is het verschil tussen bezittingen en schulden.
Formule:
eigen vermogen = bezittingen - schulden
Als bezittingen stijgen zonder dat schulden even hard stijgen, neemt het eigen vermogen toe.
Als schulden stijgen zonder extra bezittingen of winst, neemt het eigen vermogen af.
Maak duidelijk dat eigen vermogen geen losse pot geld hoeft te zijn, maar een rekengrootheid op de balans.
Voorbeeld van een beginbalans
Een onderneming start met:
kas: €2.000
bank: €6.000
voorraad: €4.000
lening: €5.000
Berekening:
bezittingen = €12.000
eigen vermogen = €12.000 - €5.000 = €7.000
Laat eventueel mondeling de balansvorm zien: links bezittingen, rechts eigen vermogen en schulden.
Financiële feiten en balanswijzigingen
Een financieel feit is een gebeurtenis die de cijfers van de onderneming verandert.
Denk aan:
inkopen
verkopen
betalingen
ontvangsten
Elk financieel feit zorgt voor een verandering in minstens twee balansposten of in winst en daarna in het eigen vermogen.
Leg de koppeling tussen bronstukken en financiële feiten: facturen, kassabonnen en bankafschriften tonen wat er is gebeurd.
Hoe bereken je het eigen vermogen?
bezittingen - schulden
bezittingen + schulden
schulden - bezittingen
kas + bank
Toetst de kernformule uit de eerste uitleg over de balans. Veelgemaakte fout: bezittingen en schulden optellen.
Vul de ontbrekende woorden in
Een balans laat op een bepaald moment de bezittingen, de schulden en het eigen vermogen zien. Het eigen vermogen is het verschil tussen bezittingen en schulden.
Alle begrippen komen letterlijk uit de eerste subtopic-slides en dwingen studenten de samenhang tussen balans en eigen vermogen te herkennen.
Boekingsstukken als bewijs
Financiële feiten verwerk je op basis van boekingsstukken:
factuur: aankoop of verkoop op rekening
kassabon: contante betaling of ontvangst
bankafschrift: betaling of ontvangst via bank
Noem dat deze stukken nodig zijn om correct te kunnen boeken en controleren.
Inkoop contant verwerken
Voorbeeld: de onderneming koopt voorraad en betaalt €500 contant.
Gevolg op de balans:
voorraad stijgt met €500
kas daalt met €500
De totale bezittingen blijven gelijk.
Schulden en eigen vermogen veranderen niet.
Benadruk dat hier alleen een verschuiving binnen de bezittingen plaatsvindt.
Inkoop op rekening verwerken
Voorbeeld: de onderneming koopt voorraad voor €800 op rekening.
Gevolg op de balans:
voorraad stijgt met €800
crediteuren stijgen met €800
De bezittingen nemen toe, maar ook de schulden.
Het eigen vermogen blijft gelijk.
Gebruik bewust het woord crediteuren steeds op dezelfde manier: schulden aan leveranciers.
Betalen van een schuld
Voorbeeld: de onderneming betaalt €300 via bank aan een leverancier.
Gevolg op de balans:
bank daalt met €300
crediteuren dalen met €300
De totale bezittingen dalen en de schulden dalen evenveel.
Het eigen vermogen verandert niet.
Laat zien dat een betaling niet automatisch kosten betekent; hier wordt alleen een bestaande schuld afgelost.
Verkoop en ontvangst verwerken
Voorbeeld: de onderneming verkoopt goederen en ontvangt €1.200 via bank.
Gevolg op de balans:
bank stijgt met €1.200
door de verkoop ontstaat opbrengst
die opbrengst werkt via de winst door in het eigen vermogen
Maak hier alvast het bruggetje naar brutowinst en nettowinst: verkoopbedrag is niet hetzelfde als winst.
Wat gebeurt er bij inkoop van voorraad op rekening?
kas omhoog, voorraad omlaag
bank omlaag, lening omhoog
voorraad omhoog, crediteuren omhoog
voorraad omlaag, eigen vermogen omhoog
De juiste koppeling is voorraad + crediteuren. Distractors sluiten aan bij verwarring tussen contante betaling, lening en winst.
Verwerk het financiële feit
Een onderneming koopt voorraad voor €500 contant. De voorraad stijgt en de kas daalt. Bij een betaling van €300 via bank aan een leverancier daalt de bank en dalen ook de crediteuren.
Toetst of studenten transacties juist aan balansposten koppelen zonder nieuwe context toe te voegen.
Waarom is €1.200 ontvangen niet meteen winst?
Bespreek dat een ontvangst via bank niet automatisch winst is. Correcte elementen: het kan omzet zijn, maar winst ontstaat pas na aftrek van inkoopwaarde en later overige kosten; de ontvangst verhoogt wel een bezit.
Van verkoop naar brutowinst
Brutowinst is het verschil tussen:
opbrengst van de verkopen
inkoopwaarde van de verkochte goederen
Formule:
brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de omzet
Brutowinst laat zien wat overblijft na de inkoop van de verkochte goederen.
Gebruik bij voorkeur eenvoudige handelsvoorbeelden, omdat de termen dan herkenbaar zijn.
Brutowinst berekenen
Voorbeeld:
omzet: €1.200
inkoopwaarde van de verkochte goederen: €700
Berekening:
brutowinst = €1.200 - €700 = €500
Die €500 is nog niet de definitieve winst van de onderneming.
Leg uit dat voorraad door verkoop meestal afneemt; op deze les ligt de nadruk op winstberekening en balansgevolgen.
Van brutowinst naar nettowinst
Nettowinst is wat overblijft na andere bedrijfskosten.
Voorbeelden van kosten:
huur
verzekeringen
reclame
energiekosten
Formule:
nettowinst = brutowinst - overige kosten
Houd het verschil scherp: inkoopwaarde hoort bij brutowinst, andere kosten trek je later af voor nettowinst.
Nettowinst berekenen
Voorbeeld:
brutowinst: €500
overige kosten: €180
Berekening:
nettowinst = €500 - €180 = €320
De onderneming heeft dus €320 winst behaald in deze periode.
This item has no instructions
Winst en eigen vermogen
Behaalde winst vergroot het eigen vermogen.
Schema:
meer winst → hoger eigen vermogen
verlies → lager eigen vermogen
Winst blijft dus niet los staan, maar verandert de vermogenspositie van de onderneming.
Noem eventueel dat privé-opnames en privé-stortingen ook invloed kunnen hebben op eigen vermogen, maar werk die hier niet uit als ze niet in de les horen.
Wat is de brutowinst bij omzet €1.200 en inkoopwaarde €700 en €100 bedrijskosten?
€700
€1.900
€500
€400
Laat studenten omzet en inkoopwaarde van de omzet correct verrekenen. €320 is bewust opgenomen als verwarring met de latere nettowinst.
Van omzet naar winst
De brutowinst is omzet min de inkoopwaarde van de verkochte goederen. De nettowinst krijg je door van de brutowinst de overige kosten af te trekken.
Herhaalt het onderscheid tussen brutowinst en nettowinst met de kernwoorden uit de contentslides.
Bijgewerkte balans opstellen
Na het verwerken van boekingsstukken stel je een nieuwe balans op.
Werkwijze:
pas per financieel feit de juiste posten aan
tel de nieuwe bezittingen op
tel schulden en eigen vermogen op
controleer of beide kanten gelijk zijn
Benadruk de vaste volgorde: eerst verwerken, daarna pas de nieuwe balans uitschrijven.
Voorbeeld van een bijgewerkte balans
Beginbalans:
bezittingen €12.000
schulden €5.000
eigen vermogen €7.000
Na nettowinst van €320:
bezittingen nemen toe met €320
eigen vermogen neemt toe met €320
Nieuwe balans:
bezittingen €12.320
schulden €5.000
eigen vermogen €7.320
Je kunt hier mondeling bespreken dat de toename van bezittingen bijvoorbeeld in kas of bank zichtbaar wordt, afhankelijk van de ontvangst.
Veelvoorkomende denkfouten
Let op deze verschillen:
betaling is niet altijd een kost
ontvangst is niet altijd winst
inkoop verandert niet altijd direct het eigen vermogen
winst verandert uiteindelijk wel het eigen vermogen
Kijk dus steeds: welke balanspost verandert, en waardoor?
Deze slide helpt misvattingen voorkomen. Geef per punt kort een voorbeeld uit eerdere slides.
Wat is juist na een nettowinst van €320?
schulden stijgen €320
eigen vermogen stijgt €320
crediteuren dalen €320
lening daalt €320
Sluit aan op het voorbeeld van de bijgewerkte balans: winst verhoogt het eigen vermogen, niet automatisch de schulden of lening.
Werk de balansgedachte af
Na het verwerken van boekingsstukken stel je een nieuwe balans op. Je telt de nieuwe bezittingen op en vergelijkt die met schulden plus eigen vermogen. Beide kanten moeten gelijk zijn.
Controleert of studenten de vaste werkwijze voor het opstellen van een bijgewerkte balans beheersen.
Aan de slag!
Jullie leggen straks jullie antwoorden uit op het bord voor de klas!
2.4, 2.5, 2.6, 2.7
Niet af als klas? = niet bespreken = huiswerk
This item has no instructions
This item has no instructions
Wat uit deze les ga jij het best onthouden?
This item has no instructions
Welk onderdeel vond jij het lastigst vandaag?
This item has no instructions
Begrippen
balans - overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen op een bepaald moment
bezittingen - alles wat de onderneming heeft
schulden - bedragen die de onderneming nog moet betalen
eigen vermogen - het verschil tussen bezittingen en schulden
financieel feit - gebeurtenis die de financiële positie verandert
boekingsstuk - bewijs van een financieel feit, zoals een factuur of bankafschrift
crediteuren - schulden aan leveranciers
This item has no instructions
Begrippen
brutowinst - omzet min de inkoopwaarde van de verkochte goederen
nettowinst - brutowinst min overige kosten
omzet - opbrengst van verkopen
inkoopwaarde van de omzet - waarde van de goederen die zijn verkocht
kassabon - bewijs van een contante betaling of ontvangst
factuur - rekening voor een aankoop of verkoop
bankafschrift - overzicht van bij- en afschrijvingen op de bankrekening
This item has no instructions