Financiële feiten (Bedrijfseconomie havo), les 1: Uitleg

Kassa's in een zelfbedieningswinkel, Memphis (VS), 1918

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Financiële feiten

Examenstof bedrijfseconomie havo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over financiële feiten voor het havo-examen bedrijfseconomie: balans en winst- en verliesrekening, het effect van feiten zoals inkoop, verkoop, aflossen, interest en afschrijving, en kosten en opbrengsten uit uitgaven en ontvangsten (periodetoerekeningsstelsel en kasstelsel), met 6 checks.

Items in this lesson

Kassa's in een zelfbedieningswinkel, Memphis (VS), 1918

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Financiële feiten

Examenstof bedrijfseconomie havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: F1 23.1-23.3. Image credit: Clifford H. Poland / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan de gevolgen van financiële feiten voor de balans en het resultaat bepalen en kosten en opbrengsten berekenen uit uitgaven en ontvangsten.

This item has no instructions

Een bedrijf koopt voorraad, betaalt de huur en verkoopt aan klanten. Welke woorden horen bij het bijhouden van dat geld?

Syllabus 23.1-23.3: verwachte woorden zijn balans, winst, verlies, resultaat, kosten, opbrengsten, betalen, kas, bank, voorraad, schuld, lening, rekening. Gebruik ze in de les: balans en resultaat horen bij blok 1 en 2, kosten, opbrengsten, uitgaven en ontvangsten bij blok 3. Laat leerlingen zelf de woorden indelen: wat gaat over wat je bezit en schuldig bent, en wat gaat over wat je verdient en kwijt bent.

Kassa's in een zelfbedieningswinkel, Memphis (VS), 1918

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Financiële feiten

  • Financiële feiten zijn gebeurtenissen die de bezittingen, schulden of het resultaat van een bedrijf veranderen.

  • Voorbeelden: inkoop en verkoop (contant en op rekening) en aflossen van schulden.

  • Ook interest, afschrijving, btw-aangifte verrekening en privé-ontvangsten en -uitgaven.

  • Elk feit verandert de balans, soms ook de winst- en verliesrekening.

Syllabus 23.1: de gevolgen van financiële feiten analyseren. De opsomming volgt de begrippenlijst bij 23.1: inkoop en ontvangst van goederen en diensten, verkoop en aflevering, aflossen van schulden, interest op schulden, afschrijving op basis van aanschafwaarde, btw-aangifte verrekening, privéontvangsten en -uitgaven. Contant betekent direct betaald, op rekening betekent later betaald. Je hoeft geen journaalposten op te stellen. Veelgemaakte fout: denken dat een feit alleen de bank raakt; bijna elk feit raakt twee of meer posten. Image credit: Clifford H. Poland / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

De balans

  • De balans laat zien wat een bedrijf bezit (activa) en waar dat geld vandaan komt (passiva).

  • Activa: bijvoorbeeld inventaris, voorraad, debiteuren (klanten die nog moeten betalen) en kas en bank.

  • Passiva: eigen vermogen en vreemd vermogen, zoals een lening en crediteuren (leveranciers die nog betaald moeten worden).

  • Totaal activa is altijd gelijk aan totaal passiva: de balans sluit.

  • De beginbalans is de balans aan het begin; de gerealiseerde balans is de werkelijke balans na de feiten.

Syllabus 23.1: begrippen balans, beginbalans en gerealiseerde balans. De gerealiseerde balans laat zien hoe het er na afloop van de periode werkelijk voor staat; een geprognosticeerde (verwachte) balans hoort bij begroten en wordt in een ander onderwerp behandeld. Debiteuren en crediteuren zijn hier uitleg in gewone woorden. Veelgemaakte fout: de kant van de balans verwisselen. Een lening staat bij de passiva, omdat het geld van een ander komt, ook al zit het inmiddels in kas en bank.

Een winkelmedewerker achter de toonbank, Haarlem

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Winst- en verliesrekening

  • De winst- en verliesrekening laat de opbrengsten en kosten van een periode zien.

  • Resultaat (winst) = opbrengsten min kosten. Is het negatief, dan is het verlies.

  • Opbrengsten verhogen het resultaat, kosten verlagen het.

  • Het resultaat komt in het eigen vermogen op de balans: winst erbij, verlies eraf.

Syllabus 23.1: de gevolgen voor de winst- en verliesrekening. In het examen heet de uitkomst resultaat; winst is hetzelfde, maar bij een negatief resultaat spreek je van verlies. Dit is de koppeling tussen de twee overzichten: het resultaat van de periode verandert het eigen vermogen. Veelgemaakte fout: een uitgave zonder meer als kosten zien. Een betaling is niet altijd kosten, dat komt in blok 2 en 3 terug. Image credit: Fotopersbureau de Boer / Wikimedia Commons, CC0

Vul in

Op de balans zijn de activa en de passiva altijd even groot. Een lening hoort bij het vreemd vermogen op de balans.

activa
passiva
vreemd vermogen
eigen vermogen
debiteuren

Syllabus 23.1. Verwachte fout: de kanten van de balans omdraaien, of een lening bij het eigen vermogen zetten omdat het geld nu in kas en bank zit.

Een bedrijf maakt € 5.000 winst. Wat gebeurt er op de balans?

A

Het vreemd vermogen stijgt met € 5.000

B

Het eigen vermogen daalt met € 5.000

C

Het eigen vermogen stijgt met € 5.000

D

Er verandert niets, winst staat alleen in de winst- en verliesrekening

Syllabus 23.1. Winst is een resultaat en komt bij het eigen vermogen. Verwachte fout: denken dat de winst alleen op de winst- en verliesrekening staat; de balans verandert dan ook.

Loketten van een bank in Brisbane, 1922

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Alleen de balans

  • Inkoop op rekening: voorraad omhoog, crediteuren omhoog. Contant: voorraad omhoog, kas en bank omlaag.

  • Aflossen van een schuld: kas en bank omlaag, lening omlaag. Geen kosten.

  • Btw-aangifte verrekening: kas en bank omlaag, te betalen btw omlaag. Geen kosten.

  • Privé-uitgave: kas en bank omlaag, eigen vermogen omlaag. Privé-ontvangst: andersom.

Syllabus 23.1: deze feiten veranderen alleen de balans of ruilen een post tegen een andere; geen kosten of opbrengsten. Bij de inkoop gaat het om het bedrag exclusief btw. Bij de btw-aangifte betaalt het bedrijf het bedrag dat het schuldig is aan de Belastingdienst; krijgt het bedrijf juist geld terug, dan werkt het omgekeerd: kas en bank omhoog, te vorderen btw omlaag. Een privé-uitgave of privé-opname is geen kosten van het bedrijf, een privé-ontvangst of privé-storting is geen opbrengst. Veelgemaakte fout: aflossen als kosten zien. Alleen de interest is kosten. Image credit: State Library of Queensland / Wikimedia Commons, publiek domein

Drie medewerkers achter de toonbank van een bakkerij, VS, ca. 1890

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Balans én resultaat

  • Interest betalen: kas en bank omlaag, kosten omhoog, eigen vermogen omlaag.

  • Afschrijving, op basis van de aanschafwaarde: inventaris omlaag, kosten omhoog, er wordt niets betaald.

  • Verkoop op rekening: debiteuren omhoog, opbrengst omhoog. Contante verkoop: kas en bank omhoog.

  • Bij verkoop van goederen verdwijnt ook voorraad: de inkoopprijs ervan is kosten.

Syllabus 23.1: feiten die ook de winst- en verliesrekening raken. Kosten verlagen het resultaat en dus het eigen vermogen, opbrengsten verhogen het. Voorbeeld verkoop: voor € 2.100 op rekening verkocht, inkoopprijs € 1.200: debiteuren +2.100, voorraad -1.200, opbrengst 2.100, kosten 1.200, resultaat +900, eigen vermogen +900; activa stijgen 900 en passiva stijgen 900, dus de balans sluit. Veelgemaakte fout: bij verkoop alleen de opbrengst boeken en de voorraad vergeten. Image credit: Onbekende maker / Missouri Historical Society via Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Uitwerking: Fietsatelier

  • Beginbalans (€): activa 40.000 = inventaris 20.000, voorraad 6.000, debiteuren 2.000, kas en bank 12.000.

  • Passiva 40.000 = eigen vermogen 24.000, lening 10.000, crediteuren 6.000.

  • Feiten: inkoop op rekening 3.000, aflossing 2.000, interest 100, afschrijving 500, verkoop op rekening 2.100 (inkoopprijs 1.200).

  • Resultaat: opbrengsten 2.100 min kosten 1.800 (1.200 + 100 + 500) = € 300 winst.

  • Gerealiseerde balans: totaal € 41.300 aan beide kanten (eigen vermogen 24.300, lening 8.000, crediteuren 9.000).

Syllabus 23.1. Uitwerking per feit: inkoop op rekening: voorraad 9.000, crediteuren 9.000. Aflossing: kas en bank 10.000, lening 8.000. Interest: kas en bank 9.900, eigen vermogen 23.900. Afschrijving: inventaris 19.500, eigen vermogen 23.400. Verkoop: debiteuren 4.100, voorraad 7.800, eigen vermogen 24.300. Activa na afloop: inventaris 19.500 + voorraad 7.800 + debiteuren 4.100 + kas en bank 9.900 = 41.300. Passiva: eigen vermogen 24.300 + lening 8.000 + crediteuren 9.000 = 41.300. De inkoop van 3.000 en de aflossing van 2.000 zijn geen kosten. Laat leerlingen zelf het eigen vermogen laten uitrekenen: 24.000 + 300 resultaat = 24.300.

Lotte lost € 2.000 van haar lening af via de bank. Wat gebeurt er met haar resultaat?

A

Het verandert niet, aflossen is geen kosten

B

Het daalt met € 2.000, het geld gaat weg

C

Het stijgt met € 2.000, de schuld wordt kleiner

D

Het daalt met € 2.000 en het eigen vermogen stijgt

Syllabus 23.1. Aflossen verlaagt kas en bank en de lening met hetzelfde bedrag; het resultaat en het eigen vermogen veranderen niet. Alleen de interest over de lening is kosten. Verwachte fout: de aflossing als uitgave en dus als kosten zien.

Vul in

Een privé-uitgave verlaagt de kas en bank en het eigen vermogen, maar het zijn geen kosten van het bedrijf.

kas en bank
eigen vermogen
kosten
voorraad
opbrengsten

Syllabus 23.1, privéontvangsten en -uitgaven. Verwachte fout: de privé-uitgave als kosten zien, waardoor het resultaat zou dalen.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Van uitgaven naar kosten

  • Uitgaven zijn bedragen die je in de periode betaalt. Kosten zijn wat je in de periode verbruikt.

  • Vooruit betaalde bedragen: nu betaald, maar bestemd voor de volgende periode. Trek ze af van de uitgaven.

  • Nog te betalen bedragen: verbruikt in deze periode, nog niet betaald. Tel ze erbij op.

  • Aan het begin van de periode werkt het omgekeerd: nog te betalen (begin) trek je af, vooruit betaald (begin) tel je erbij.

  • Voorbeeld: verzekering € 1.200 betaald op 1 oktober voor 12 maanden: kosten tot 31 december is € 300.

Syllabus 23.2: de kosten berekenen op basis van gegeven uitgaven (periodetoerekeningsstelsel). Totaalformule: kosten = uitgaven + nog te betalen (eind) + vooruit betaald (begin) min nog te betalen (begin) min vooruit betaald (eind). Voorbeeld: 12 maanden voor € 1.200 is € 100 per maand; oktober, november en december zijn 3 maanden, dus € 300. Vooruit betaald aan het eind is 9 maanden, € 900; 1.200 min 900 is 300. De gevolgen van overlopende posten voor de balans hoef je niet te kunnen analyseren; het gaat hier alleen om het berekenen van kosten. Veelgemaakte fout: de uitgave van de periode als kosten overnemen.

Brood kopen in een Litouwse bakkerij in Pittsburgh (VS), 1943

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Opbrengsten berekenen

  • Ontvangsten krijg je in de periode binnen. Opbrengsten is wat je in de periode levert.

  • Nog te ontvangen bedragen: wel geleverd, nog niet betaald. Tel ze op bij de ontvangsten.

  • Vooruit ontvangen bedragen: wel betaald, nog niet geleverd. Trek ze af van de ontvangsten.

  • Aan het begin van de periode werkt het omgekeerd, net als bij de kosten.

Syllabus 23.2: de opbrengsten berekenen op basis van gegeven ontvangsten. Totaalformule: opbrengsten = ontvangsten + nog te ontvangen (eind) + vooruit ontvangen (begin) min nog te ontvangen (begin) min vooruit ontvangen (eind). Voorbeeld: je levert in december voor € 1.500 en de klant betaalt in januari: dat is een nog te ontvangen bedrag aan het eind van december en een opbrengst van december. Veelgemaakte fout: de ontvangst van de periode als opbrengst overnemen. Image credit: Marjory Collins / Library of Congress via Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Twee stelsels vergeleken

  • Bij het kasstelsel telt een bedrag mee in de periode waarin het geld binnenkomt of weggaat.

  • Bij het periodetoerekeningsstelsel telt een bedrag mee in de periode waar het bij hoort: kosten bij verbruik, opbrengsten bij levering.

  • Kasstelsel: ontvangsten min uitgaven. Periodetoerekeningsstelsel: opbrengsten min kosten, het resultaat.

  • De winst- en verliesrekening werkt met het periodetoerekeningsstelsel.

Syllabus 23.3: het onderscheid tussen het periodetoerekeningsstelsel en het kasstelsel uitleggen. Het kasstelsel is eenvoudig, maar laat een verkeerd beeld zien als de betaling in een andere periode valt dan het verbruik of de levering. Daarom gebruikt de resultaatberekening het periodetoerekeningsstelsel. Veelgemaakte fout: denken dat ontvangsten en opbrengsten, of uitgaven en kosten, hetzelfde zijn.

Welk stelsel telt een opbrengst mee in de periode waarin je levert, ook als de klant later betaalt?

A

Het kasstelsel

B

Beide stelsels doen dit

C

Geen van beide stelsels

D

Het periodetoerekeningsstelsel

Syllabus 23.3. Het kasstelsel kijkt naar het moment van betalen, het periodetoerekeningsstelsel naar de periode waar de levering bij hoort. Verwachte fout: het kasstelsel kiezen.

Op 1 november ontvang je € 2.400 voor 12 maanden les. Wat is de opbrengst dit jaar?

A

€ 2.400

B

€ 400

C

€ 2.000

D

€ 200

Syllabus 23.2. Uitwerking: € 2.400 voor 12 maanden is € 200 per maand; november en december zijn 2 maanden, dus € 400. Het vooruit ontvangen bedrag is € 2.000. Verwachte fouten: de hele ontvangst van € 2.400, het vooruit ontvangen deel van € 2.000, of maar 1 maand (€ 200).

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Het effect van een feit op de balans

2

Het effect van een feit op het resultaat

3

Van uitgaven naar kosten rekenen

4

Kasstelsel en periodetoerekeningsstelsel

Gebruik de uitslag om te bepalen welk blok je nog een keer doorloopt. Bij veel stemmen op kosten: laat het voorbeeld met de verzekering nog eens zien en vraag per bedrag in welke periode het hoort.

Welk feit raakt het resultaat niet?

Goede antwoorden: inkoop op rekening of contant, aflossen van een schuld, btw-aangifte verrekening, een privé-opname of privé-storting. Verwachte fout: interest of afschrijving noemen; die zijn kosten en raken het resultaat wel.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Begrippen (1/2)

  • financiële feiten: Gebeurtenissen die de balans of het resultaat van een bedrijf veranderen.

  • balans: Overzicht van bezittingen (activa) en herkomst (passiva) van een bedrijf.

  • gerealiseerde balans: De werkelijke balans na de financiële feiten van een periode.

  • winst- en verliesrekening: Overzicht van opbrengsten en kosten en het resultaat van een periode.

  • uitgaven: Bedragen die je in de periode betaalt.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Begrippen (2/2)

  • kosten: Wat je in de periode verbruikt.

  • ontvangsten: Bedragen die je in de periode binnenkrijgt.

  • opbrengsten: Wat je in de periode levert.

  • kasstelsel: Een bedrag telt mee in de periode van betalen of ontvangen.

  • periodetoerekeningsstelsel: Een bedrag telt mee in de periode waar het bij hoort.

This item has no instructions