Kassa's in een zelfbedieningswinkel, Memphis (VS), 1918
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Quiz
Terugblik: Financiële feiten
Kassa's in een zelfbedieningswinkel, Memphis (VS), 1918
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Quiz
Terugblik: Financiële feiten
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Clifford H. Poland / Wikimedia Commons, publiek domein
Welk overzicht laat de opbrengsten en kosten van een periode zien?
De winst- en verliesrekening
De beginbalans
De gerealiseerde balans
De balans
Syllabus 23.1, begrip winst- en verliesrekening. Verwachte fout: de gerealiseerde balans, omdat die ook na afloop van de periode wordt opgesteld.
Een bedrijf schrijft € 1.200 af op de inventaris. Wat verandert er?
Kas en bank en eigen vermogen dalen met € 1.200
Inventaris daalt met € 1.200, eigen vermogen blijft gelijk
Inventaris en eigen vermogen dalen met € 1.200
Inventaris en kosten dalen met € 1.200
Syllabus 23.1, afschrijving. Afschrijving is kosten: de inventaris wordt minder waard, het resultaat en daarmee het eigen vermogen dalen. Er wordt niets betaald, dus kas en bank veranderen niet. Verwachte fout: kas en bank laten dalen.
Een bedrijf draagt via de bank € 1.800 te betalen btw af. Wat verandert er?
Kas en bank dalen en de kosten stijgen met € 1.800
Kas en bank dalen en het eigen vermogen daalt mee
Kas en bank en te betalen btw dalen, geen kosten
Te betalen btw daalt en kas en bank stijgen
Syllabus 23.1, btw-aangifte verrekening. De btw die het bedrijf schuldig was aan de Belastingdienst wordt betaald: de schuld daalt en kas en bank dalen. Het is geen kosten. Verwachte fout: de btw-afdracht als kosten zien.
Eigenaar Selma stort € 3.000 privé op de zakelijke bankrekening. Wat verandert er?
Kas en bank en eigen vermogen stijgen met € 3.000
Kas en bank en het resultaat stijgen met € 3.000
Kas en bank en de lening stijgen met € 3.000
Kas en bank en de crediteuren stijgen met € 3.000
Syllabus 23.1, privéontvangsten. Een privé-storting is geld van de eigenaar in het bedrijf: het eigen vermogen stijgt. Het is geen opbrengst, dus het resultaat verandert niet. Verwachte fout: de storting als opbrengst zien.
Kasstelsel of periodetoerekening: één verschil?
Syllabus 23.3. Een goed antwoord noemt dat het kasstelsel kijkt naar het moment van betalen of ontvangen en het periodetoerekeningsstelsel naar de periode waarin verbruik of levering plaatsvindt (kosten en opbrengsten). Verwachte fout: alleen zeggen dat het ene sneller is.
Bedrijf Aydin betaalde € 3.600 aan verzekering. Vooruit betaald: eind € 900, begin € 600. Kosten?
€ 3.900
€ 2.100
€ 5.100
€ 3.300
Syllabus 23.2. Uitwerking: 3.600 min 900 (eind) = 2.700; plus 600 (begin) = 3.300. Nagerekend: 3.600 + 600 - 900 = 3.300. Verwachte fouten: 3.900 (het begin en eind omgedraaid), 2.100 (begin ook afgetrokken), 5.100 (alles opgeteld).
Drukkerij Jansen ontving € 30.000. Nog te ontvangen: eind € 2.500, begin € 1.500. Opbrengsten?
€ 29.000
€ 31.000
€ 34.000
€ 26.000
Syllabus 23.2. Uitwerking: 30.000 + 2.500 (eind) = 32.500; min 1.500 (begin) = 31.000. Nagerekend: 30.000 + 2.500 - 1.500 = 31.000. Verwachte fouten: 29.000 (plus en min omgedraaid), 34.000 (alles opgeteld), 26.000 (alles afgetrokken).
Opbrengsten € 80.000, inkoopprijs van verkochte goederen € 45.000, interest € 2.000, afschrijving € 8.000, aflossing € 10.000. Resultaat?
€ 25.000
€ 15.000
€ 35.000
€ 33.000
Syllabus 23.1. Uitwerking: kosten zijn 45.000 + 2.000 + 8.000 = 55.000; resultaat 80.000 - 55.000 = 25.000. De aflossing is geen kosten. Verwachte fouten: 15.000 (aflossing meegeteld), 35.000 (alleen de inkoopprijs als kosten), 33.000 (afschrijving vergeten).
Wat laat de gerealiseerde balans zien?
Wat het bedrijf verwacht te bezitten en schuldig te zijn
Alleen de opbrengsten en kosten van de periode
Wat het bedrijf na de feiten werkelijk bezit en schuldig is
Alleen de ontvangsten en uitgaven in kas en bank
Syllabus 23.1, begrip gerealiseerde balans. Verwachte fout: de verwachting kiezen; dat is een geprognosticeerde balans, die bij begroten hoort.
Vul in
Bij een inkoop contant stijgt de voorraad, terwijl kas en bank met hetzelfde bedrag dalen.
Syllabus 23.1. Inkoop contant: voorraad omhoog, kas en bank omlaag; bij inkoop op rekening stijgen de crediteuren. Verwachte fout: crediteuren invullen.
Ontvangsten € 40.000, uitgaven € 34.000, opbrengsten € 42.000, kosten € 33.000. Resultaat in de winst- en verliesrekening?
€ 6.000
€ 9.000
€ 8.000
€ 7.000
Syllabus 23.3. De winst- en verliesrekening gebruikt het periodetoerekeningsstelsel: opbrengsten min kosten is 42.000 - 33.000 = 9.000. Nagerekend: 33.000 + 9.000 = 42.000. Verwachte fouten: 6.000 (ontvangsten min uitgaven, het kasstelsel), 8.000 (opbrengsten min uitgaven), 7.000 (ontvangsten min kosten).
Kapsalon Noor betaalt € 800 interest via de bank. Wat verandert er?
Kas en bank dalen en de lening daalt ook
Kas en bank dalen, het resultaat blijft gelijk
Kas en bank dalen, de lening stijgt met € 800
Kas en bank dalen, kosten stijgen, eigen vermogen daalt
Syllabus 23.1, interest op schulden. Interest is kosten: kas en bank -800, resultaat -800, eigen vermogen -800. De lening zelf verandert niet. Verwachte fout: de lening laten dalen, dat doet alleen aflossen.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Goed gedaan!
Je kunt nu het effect van financiële feiten op de balans en het resultaat bepalen en kosten en opbrengsten berekenen. Succes met het examen!
This item has no instructions